De farmaceutische industrie verdient een aardige stuiver aan de Mexicaanse griep, of ze de hetze daar rond nu bewust opblaast (Luc Bonneux, DS 3 augustus) of gewoon doet wat ze moet doen (Ab Osterhaus, DS 5 augustus). De Standaard publiceerde vorig weekend cijfers: farmabedrijven Roche en GSK verdienden in de eerste helft van 2009 respectievelijk 440 en 250 miljoen euro meer aan hun griepvirusremmers dan in dezelfde periode in 2008. Het lijkt vanzelfsprekend dat de geneesmiddelenindustrie hard aan het werk gaat (en dan ook veel geld verdient) als er een gevaarlijke epidemie dreigt uit te breken, maar dat is het niet.
In andere, armere delen van de wereld maken dodelijkere en hardnekkigere ziektes dan de varkensgriep al veel langer veel meer slachtoffers. Maar in het ontwikkelen van medicijnen voor deze patiënten is de farma-industrie nauwelijks geïnteresseerd.
Patiënten die aan malaria lijden, wachten vergeefs tot farmaceutische bedrijven eens hard op zoek gaan naar een modern en doeltreffend middel tegen de ziekte. Het overaanbod aan medicijnen in het Westen en het dodelijke tekort eraan elders zijn twee kanten van dezelfde medaille, twee gevolgen van de manier waarop de farma-industrie vandaag werkt.
Als een farmaceutisch bedrijf een medicijn ontwikkelt, garandeert het patent daarop tien tot twaalf jaar lang een monopoliepositie, met monopolieprijzen en –winsten als gevolg. De sector verdedigt haar hoge winsten door te stellen dat ze nodig zijn om het peperdure onderzoek naar nieuwe medicatie te financieren. Maar die manier van werken heeft twee problematische gevolgen.
Ten eerste moet wie de dure medicijnen niet kan betalen, het simpelweg zonder stellen. Hiv/aidspatiënten in ontwikkelingslanden krijgen maar medicatie omdat de concurrentie van generische aidsremmers de prijs van merkproducten drastisch deed dalen, soms met negentig procent. De patenten op de nieuwe aidsremmers verhinderen die generische concurrentie echter. Hiv/aidspatiënten in ontwikkelingslanden zullen binnenkort enkel nog verouderde, inefficiënte medicatie krijgen. De nieuwe is gewoon te duur voor hen.
Ten tweede richt medische innovatie zich op het terrein waar de hoogste winsten te rapen vallen – zoals nu met de Mexicaanse griep – en niet op het terrein waar medische innovatie het hardst nodig is. Momenteel slaat het leeuwendeel van de patenten op combinaties van al bestaande medicijnen of op medicatie voor ziektes waar al andere medicijnen voor bestaan. Er wordt voortdurend onderzoek gedaan naar de zoveelste variant in medicatie voor kaalheid of erectiestoornissen.
Onderzoek naar nieuwe medicatie voor dodelijke ziektes die vooral bij armen voorkomen, is geen prioriteit. Patenten op medicijnen tegen die ziektes zouden amper iets opbrengen omdat de patiënten nooit dure medicijnen zullen kunnen betalen. De diagnosetest voor tuberculose is zo’n honderd jaar oud en vertoont talloze gebreken, maar een alternatief is er nog altijd niet – omdat er met tuberculose geen geld te verdienen valt.
Dat zijn twee perverse effecten van het marktgedreven systeem van de huidige farma-industrie. Het draait om geld en niet om medische prioriteiten. Het systeem moet dus hervormd worden, zodat onderzoek niet enkel gebeurt naar winstgevende medicatie, en de ontwikkelde medicijnen beschikbaar zijn voor iedereen die ze nodig heeft en niet alleen voor wie ze kan betalen.
De kosten van het wetenschappelijk onderzoek moeten worden losgekoppeld van de verkoopprijs van medicijnen. Als de farmaceutische industrie geen monopoliewinsten meer maakt dankzij patenten, kunnen levensreddende medicijnen beschikbaar worden voor iedereen die er nood aan heeft. Bovendien zou de sector in dat geval ook minder baat hebben bij de massale vrees voor een griepepidemie in het Westen.
Standaard |