|
|
| Gezondheid |
BMR |
DKTP |
DTP |
Hepatitis |
HPV |
Meningitis |
TBC |
Pneumokokken |
Polio |
Schmallenbergvirus |
____________________________________________________
| zondag 28 november 2010
|
| Cannabis Verhoogt Risico Op Verschillende Dodelijke Ziekten |
Cannabis schaadt het immuunsysteem, waardoor het lichaam vatbaarder is voor ziekten als longontstekingen en kanker, dat suggereert recent onderzoek. Immuunsysteem De onderzoekers deden tests met de chemische stof THC, deze zit in cannabis en is verantwoordelijk voor de roes, op het immuunsysteem van muizen. Daaruit blijkt dat dit zorgt voor een verhoogde productie van specifieke immuuncellen. Deze dienen normaal als noodrem zodat de strijd van het immuunsysteem tegen ziekten niet ongecontroleerd losbarst. Maar in het geval van kanker zorgen deze cellen dat tumoren sneller groeien. In grote hoeveelheden maken ze het lichaam ook kwetsbaarder voor infecties die onder meer longontstekingen veroorzaken.
THC maakt je dus kwetsbaarder voor borst-, blaas-, long- en andere soorten kanker, aldus expert Henry Scowcroft. Hij zegt dat effecten ook bij mensen zichtbaar zullen zijn. "Omdat de meeste gebruikers die in combinatie met tabak roken, is het risico op deze potentieel dodelijke ziekte nog groter."
Ook voordelen THC wordt gebruikt om de symptomen van multiple sclerosis te verzachten, daarnaast ook in de behandeling van kanker, glaucoom en hiv. Deze ontdekking kan wel leiden tot nieuwe behandeling van ziekten als multiple sclerose en ontstekingsreuma veroorzaakt door het immuunsysteem dat zich tegen het lichaam keert.
Mentale problemen Cannabis werd eerder al in verband gebracht mentale problemen. Degenen die op 18 regelmatig deze drugs rookten, lopen later 1,6 keer meer kans op ernstige psychiatrische problemen, waaronder schizofrenie. Degenen die op nog jongere leeftijd met cannabis beginnen, is het risico nog groter.
medinewsLabels: Cannabis |
.
.
16:18  |
|
|
|
| donderdag 25 november 2010
|
| Vier van de tien patiënten gaan zonder verwijzing naar de fysiotherapeut |
Steeds meer patiënten weten de fysiotherapeut te vinden zonder verwijzing. In 2009 kwam 38% van de patiënten op eigen initiatief. In het eerste jaar na invoering was dat nog 21%.
Fysiotherapeuten zijn sinds 2006 en oefentherapeuten Cesar/Mensendieck sinds 2008 direct toegankelijk. Patiënten kunnen zonder verwijzing de therapeut bezoeken. Bij de fysiotherapeut komen vier van de tien patiënten zonder verwijzing en bij de oefentherapeut Cesar/Mensendieck is dat bijna een kwart, zo blijkt uit gegevens van de Landelijke informatievoorziening Paramedische Zorg (LiPZ) van het NIVEL.
Verwijzing Ouderen gaan relatief weinig zonder verwijzing naar de fysiotherapeut en oefentherapeut. Het zijn vooral hoger opgeleiden, patiënten met kortdurende klachten en patiënten met lage rugklachten, nekklachten of schouderklachten. Gemiddeld krijgen zij bij de fysiotherapeut twee behandelingen minder vergeleken met patiënten met een verwijzing. Uit gegevens van het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH) blijkt dat sinds de directe toegang is ingevoerd het aantal patiënten dat naar de fysiotherapeut wordt verwezen daalde van 67 van de 1000 patiënten in 2005 naar 42 in 2009. Diëtist Mogelijk wordt directe toegang ook ingevoerd voor andere paramedische beroepsgroepen, zoals de diëtist. In 2009 kwam al 17% van de patiënten op eigen initiatief naar de vrijgevestigde diëtist. Deze mag patiënten wettelijk echter pas behandelen na verwijzing door een arts.
LiPZ update De zorg van fysiotherapeuten, oefentherapeuten Cesar/Mensendieck en vrijgevestigde diëtisten wordt al geruime tijd onderzocht binnen de Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg (LiPZ) en gepubliceerd op http://www.nivel.nl/lipz. Recent zijn de gegevens over 2009 op de website geplaatst. De LiPZ-cijfers bieden een scala aan gegevens, variërend van lichamelijke activiteit van patiënten voor en na diëtistische behandeling, aantal uren diëtistische zorg, gemiddelde leeftijd van de patiënten tot veel toegepaste verrichtingen van fysiotherapeut of oefentherapeut Cesar/Mensendieck. |
.
.
17:47  |
|
|
|
|
| Longziekte kost mensen hun baan |
Drie van de vijf mensen met chronisch obstructieve longziekte werkt niet. In veel gevallen is hun longziekte hiervan de oorzaak, zo blijkt uit de Astma-/COPD-monitor.
In Nederland hebben 320.000 mensen de diagnose chronisch obstructieve longziekte (COPD). Daarnaast zijn er nog eens zo’n 300.000 mensen met een zeer groot risico op de ziekte, zonder dat zij dit zelf weten. Van de mensen met COPD heeft in 2008 42% een betaalde baan, terwijl van de beroepsbevolking 71% werkt, zo blijkt uit de Astma-/COPD-monitor van het NIVEL die is uitgevoerd met subsidie van het Astma Fonds. Een meerderheid van de mensen met COPD tot 65 jaar heeft dus geen betaald werk (58%). Het overgrote deel (79%) heeft in het verleden echter wel werk gehad. Voor 70% waren gezondheidsproblemen de belangrijkste reden om met werken te stoppen.
Arbeidsongeschikt Bijna alle werkende mensen met COPD geven aan problemen op het werk te hebben door hun mindere gezondheid. COPD is op dit moment de vijfde oorzaak van verzuim onder de Nederlandse werkzame bevolking. Bijna de helft van de mensen met COPD zonder werk is arbeidsongeschikt verklaard, van wie 80% volledig arbeidsongeschikt. Mensen met COPD willen graag werken, ook als ze nu geen betaalde baan hebben. 40% van alle werkloze mensen met COPD in de leeftijd tot 65 jaar vindt het jammer geen werk (meer) te hebben. Deelname aan het arbeidsproces is één van de belangrijkste manieren om betrokken te blijven bij het maatschappelijke leven. NIVEL-onderzoeker Monique Heijmans: "Omdat COPD progressief verloopt moet je bij mensen met COPD dus extra alert zijn op klachten die het werken kunnen bemoeilijken om uitval te voorkomen."
Vroeg opsporen COPD is een ernstige longziekte, waarbij ademen steeds moeilijker wordt. De schade aan de longen is onherstelbaar en de longen gaan steeds verder achteruit. De trap oplopen voelt als het beklimmen van een berg. Dagelijkse dingen zoals aankleden of douchen kosten steeds meer inspanning. Mensen met COPD kunnen uiteindelijk afhankelijk worden van extra zuurstof en aan hun ziekte overlijden. Mensen van 40 jaar en ouder, die regelmatig hoesten en benauwd zijn behoren tot de risicogroep, vooral als zij roken of jarenlang hebben (mee)gerookt. “COPD moet je zo vroeg mogelijk opsporen”, stelt ook Astma Fonds directeur Michael Rutgers. “Mensen gaan nu vaak te laat naar de huisarts, omdat ze langzaam wennen aan hun klachten.” (hetonderzoek) |
.
.
17:46  |
|
|
|
|
| Vermijdbare sterfte en schade in ziekenhuizen moet verder omlaag |
Voor minister Schippers van Volksgezondheid is patiëntveiligheid één van de belangrijkste thema’s in de zorg. Zij zet het streven naar 50% vermindering van het aantal onnodige sterfgevallen (1.735 overleden patiënten in 2004) en gezondheidsschade in ziekenhuizen in 2012 onverminderd voort. Om dat te halen moeten er echt wat extra tandjes worden bijgezet.
Uit een eerste tussenmeting van het EMGO/Nivel onderzoek naar vermijdbare sterfte en schade in ziekenhuizen blijkt helaas dat het aantal nu nog niet is gedaald. Er zijn extra inspanningen nodig om dat doel te bereiken. De minister vindt het van belang dat alle betrokken partijen zich extra inzetten om de zorg te verbeteren voor de patiënt. Alle instellingen moeten goede voorbeelden uit de praktijk snel invoeren, want dat is noodzakelijk voor de veiligheid van de patiënt.
Zo krijgt het Universitair Medisch Centrum in Maastricht vandaag de Veiligheidsaward 2010. Het aantal medicatiefouten is daar drastisch afgenomen, omdat de apothekersassistent de medicatie klaarmaakt op de afdeling zelf en voorziet van een unieke barcode die past bij de patiënt. Dit is een goed voorbeeld dat andere ziekenhuizen moeten overnemen.
Het voorbeeld van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam verdient snel navolging. Met een nieuwe checklist rond operaties ging het aantal sterfgevallen met de helft omlaag. Veertig ziekenhuizen in Nederland hebben al aangegeven met deze checklist te gaan werken. De Inspectie voor de Gezondheidszorg zal hier ook op gaan handhaven.
Inmiddels zijn sinds 2008 vrijwel alle ziekenhuizen aan de slag met het zogenaamde VMS Veiligheidsprogramma. Dit programma werkt nog niet door in deze tussenmeting. Dat zal wél het geval zijn bij de eindmeting in 2013. Ook zal de uitwisseling van medicatie-gegevens tussen apotheken, huisartsen en ziekenhuizen om vermijdbare fouten te voorkomen het komende jaar flink toenemen. Naar verwachting zal bijna 80% van de zorgverleners zich aansluiten op het landelijke EPD. Op dit moment is 25% aangesloten. |
.
.
17:44  |
|
|
|
|
| Potentieel vermijdbare schade bij ziekenhuispatiënten nog niet gedaald |
De potentieel vermijdbare schade in ziekenhuizen is tussen 2004 en 2008 nog niet gedaald. In 2008 kregen drie op de honderd ziekenhuispatiënten te maken met potentieel vermijdbare schade. Dit is schade die tijdens de behandeling is ontstaan en die mogelijk voorkomen had kunnen worden. Ziekenhuizen en medisch specialisten zijn wel steeds opener en kritischer over hun eigen functioneren. Dit staat in het rapport ‘Monitor Zorggerelateerde Schade 2008. Dossieronderzoek in Nederlandse ziekenhuizen’ van het NIVEL en EMGO+ dat vandaag openbaar is gemaakt.
Wereldwijd is Nederland tot nu toe het enige land dat een tweede meting heeft laten uitvoeren naar potentieel vermijdbare schade. Jaarlijks worden circa 1,3 miljoen mensen in het ziekenhuis opgenomen. Hiervan krijgt 2,9% te maken met schade tijdens de behandeling die mogelijk voorkomen had kunnen worden. Een klein deel van deze schade heeft te maken met het toepassen van medische technologie. De potentieel vermijdbare schade kan leiden tot tijdelijke of blijvende beperkingen, een verlengde opname of voortijdig overlijden. In 2004 zijn naar schatting 1735 patiënten mede door potentieel vermijdbare schade overleden. In 2008 ging het naar schatting om 1960 patiënten. Cordula Wagner, hoogleraar patiëntveiligheid aan VU medisch centrum en programmaleider bij het NIVEL: “Beide getallen liggen binnen dezelfde statistische onzekerheidsmarge, waardoor we niet kunnen spreken van een stijging. Maar, deze uitkomsten moeten natuurlijk wel reden zijn om nog intensiever aan de slag te gaan om potentieel vermijdbare schade, die voor patiënten grote gevolgen kan hebben, te voorkómen.”
Waarom zijn de cijfers niet gedaald? Sinds 2004 is er toenemend aandacht voor het onderwerp patiëntveiligheid. Toch is er nog geen daling te zien in het aantal gevallen met potentieel vermijdbare schade. Een mogelijke verklaring is een toename in het aantal complexe patiënten en nieuwe technologische mogelijkheden. Deze brengen extra risico’s met zich mee. Het is ook mogelijk dat artsen en verpleegkundigen steeds opener en kritischer kijken. Wagner licht toe: “Deze openheid is nodig om te kunnen leren en echte verbeteringen door te voeren. In de luchtvaart hebben wij jaren geleden ook gezien dat het aantal gemelde incidenten in eerste instantie is toegenomen en dat dit later heeft geleid tot veel verbeteringen. Aantoonbare veranderingen in de zorg zijn alleen te verwachten als verbeterprogramma’s op brede schaal in ziekenhuizen worden geïmplementeerd.”
Nieuwe meting over drie jaar Ten slotte blijft de vraag waarom de verbeteracties tussen 2004 en 2008 nog niet gewerkt hebben. Wagner nuanceert: “De verbeteracties uit die periode hebben wel op specifieke onderdelen in de zorg effect gehad: doorligwonden komen minder voor, net als ondervoeding en urineweginfecties. Pas sinds 2008 wordt er binnen het landelijke veiligheidsprogramma ‘Voorkom schade, werk veilig’ op veel grotere schaal en veel gerichter aan veiligheid in de zorg gewerkt. De resultaten hiervan kunnen over drie jaar in de derde meting zichtbaar worden.
Aanbevelingen Om potentieel vermijdbare schade te reduceren is het van belang extra en blijvend aandacht te besteden aan: • de implementatie van het lopende veiligheidsprogramma, • de risico’s bij overdrachtsmomenten in de zorg, • de samenwerking binnen multidisciplinaire teams, • de veiligheid rondom het chirurgisch proces, • een goede dossiervoering.
Onderzoek Het onderzoek naar potentieel vermijdbare schade is mogelijk geweest doordat 20 ziekenhuizen volledige openheid van zaken hebben gegeven. In totaal zijn 4.023 dossiers van patiënten uit 2008 beoordeeld en geanalyseerd. |
.
.
17:44  |
|
|
|
| woensdag 24 november 2010
|
| ‘Omvangrijk onderzoek naar blaaskanker’ |
In navolging van bevolkingsonderzoeken naar borst- en baarmoederhalskanker, moet er mogelijk ook bevolkingsbreed onderzoek naar blaaskanker bij mannen komen. De Gezondheidsraad adviseert de regering om vast een eerste grootschalig onderzoek te verrichten.
Daartoe zou van 22.500 mannen tussen de 50 en 75 jaar de aanwezigheid van bloed in de urine moeten worden onderzocht. Mannen met een ongunstige uitslag krijgen dan drie vervolgtests op moleculair niveau. Uroloog E. Koldewijn van het Catharina-ziekenhuis in Eindhoven vindt het ’heel verstandig’ dat wordt onderzocht of een bevolkingsonderzoek naar blaaskanker meerwaarde heeft. Op voorhand plaatst de uroloog wel vraagtekens bij de betrouwbaarheid van zo’n bevolkingsonderzoek.
„Als iemand bloed in zijn urine heeft, is de kans ontzettend klein dat er sprake is van kwaadaardige cellen. Er is op dit moment geen enkele reden om aan te nemen dat het bevolkingsonderzoek beter zou zijn dan de huidige werkwijze”, aldus Koldewijn gisteravond. Nu worden mensen met blaasklachten standaard door de huisarts doorverwezen naar de uroloog.
Blaaskanker is de vijfde meest voorkomende vorm van kanker in de westerse wereld. In Nederland werd in 2003 bij ruim 4600 mensen de diagnose gesteld. 1157 patiënten overleden aan de ziekte, waarvan 814 mannen. De genezingskans is veel groter als blaaskanker in een vroeg stadium wordt ontdekt.
Afgezien van de vraag of een bevolkingsonderzoek zinvol is, moet middels het startonderzoek ook duidelijk worden of het niet te kostbaar is. Gekeken wordt ook of mensen niet nodeloos ongerust worden gemaakt omdat er te veel positieve (ongunstige) uitslagen komen terwijl er uiteindelijk niets aan de hand blijkt. Op dit moment wordt ook al onderzocht of er een bevolkingsonderzoek naar prostaatkanker moet komen.
Bron: eindhovensdagblad.nl |
.
.
19:28  |
|
|
|
|
| Duizenden doden door antibioticaresistentie |
In de Europese Unie en in Noorwegen en IJsland sterven jaarlijks minstens 25.000 mensen aan infecties doordat de bacteriën door verkeerd voorschrijfgedrag resistent worden voor antibiotica. Dit meldt Nu.nl
Dat maakte Eric Poudelet van het directoraat-generaal van Gezondheid en Consumenten van de Europese Commissie dinsdag in Brussel bekend. |
.
.
19:19  |
|
|
|
|
| Europese opmars superziekteverwekker |
De onbehandelbare ziekteverwekker NDM-1 is al opgedoken in dertien Europese landen. Er zijn al 77 mensen geïnfecteerd, onder andere in Groot-Brittannië. Dit meldt Het Laatste Nieuws.
Zeven mensen zijn bezweken aan de ziekte. Dat heeft het EU-agentschap voor ziektepreventie ECDC vandaag gemeld.
NDM-1 Volgens Dominique Monnet van de ECDC is de opkomst van NDM-1 erg verontrustend. 'Mensen noemen de NDM-1 een superziekteverwekker, maar ik denk dat het zelfs meer is. Noem het maar een supersuperziekteverwekker.'
hln |
.
.
19:18  |
|
|
|
|
| 'Antibioticaresistentie dieren risico voor mensen' |
Antibioticaresistentie bij dieren is gevaarlijk voor mensen, waarschuwt de Gentse hoogleraar Jeroen Dewulf. 'Het gebeurt uitzonderlijk, maar het kan', liet hij optekenen tijdens de Europese Antibioticadag.
Volgens de professor wijst onderzoek uit dat verschillende takken van de Vlaamse veehouderij teveel antibiotica gebruikt. Hierdoor ontstaat een toename aan resistente bacteriën bij het vee.
Salmonellakiemen 'Een belangrijk voorbeeld zijn salmonellakiemen die resistent worden voor antibiotica, waardoor de ziekte moeilijker behandelbaar is voor mensen. Hetzelfde kan zich voordoen bij campylopacterkiemen, die minder ernstige maagdarmstoornissen veroorzaken.'
dm |
.
.
19:17  |
|
|
|
|
| Geld chronische zieken komt verkeerd terecht |
De nieuwe tegemoetkomingsregeling voor chronisch zieken en gehandicapten werkt niet. Duizenden patiënten worden dubbel gecompenseerd, terwijl veel andere chronisch zieken financieel in de kou staan.
Door de nieuwe Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (wtgc) krijgen duizenden mensen een tegemoetkoming van de overheid. De door hen gemaakte kosten zijn echter al uitgekeerd door zorgverzekeraars.
EenVandaag Opiniepanel Dit concludeert EenVandaag aan de hand van het eigen Opiniepanel. Aan het onderzoek deden 20.000 mensen mee, waarvan 5000 een wtcg-tegemoetkoming tussen de 150 en 500 euro ontvangen.
12 procent van hen zegt het geld niet nodig te hebben omdat hun kosten al door de verzekering gedekt zijn. 9 procent van de deelnemers krijgt daarentegen geen geld, maar denkt er wel voor in aanmerking te komen.
eenvandaag |
.
.
19:13  |
|
|
|
|
| Nieuwe echomethode brengt uitbreiding longkanker beter in kaart |
Het in kaart brengen van het longkankerstadium met een echo-apparaat loont. Hiermee kunnen onnodige longkankeroperatie voorkomen worden. Dat blijkt uit onderzoek onder leiding van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) dat the Journal of the American Medical Association (JAMA) publiceert.
Van alle kankersoorten is longkanker verantwoordelijk voor de hoogste sterfte. Patiënten met longkanker zijn gebaat bij het nauwkeurig in kaart brengen van het stadium van de tumor. Met deze informatie kan de meest optimale behandeling gekozen worden. Als de lymfeklieren tussen de longen niet zijn aangedaan is een longoperatie eerste keuze. Bevatten deze lymfeklieren wel kankercellen, dan heeft een combinatie van chemotherapie en bestraling de voorkeur.
Onderzoek onder leiding van longarts dr. Jouke Annema van het LUMC toont nu aan dat het aanprikken van lymfeklieren in de borstkas, met behulp van geluidsgolven vanuit de luchtpijp en de slokdarm, even goed is en gepaard gaat met minder complicaties in vergelijking met traditioneel onderzoek door middel van een kijkoperatie. Als beide technieken worden gecombineerd zal het aantal onnodige longkankeroperaties gehalveerd worden. Annema werkt als lid van de landelijke richtlijnencommissie voor longkanker momenteel mee aan het veranderen van de richtlijnen voor het preoperatief onderzoek van longtumoren.
lumc. |
.
.
13:48  |
|
|
|
| dinsdag 23 november 2010
|
| Verloskundig systeem moet beter |
In het Nederlandse verloskundige systeem is het met de huidige richtlijnen en technieken niet mogelijk het risico op babysterfte goed in te schatten. Dit blijkt uit een grootschalig onderzoek van het UMC Utrecht, dat vandaag online gepubliceerd is in het tijdschrift British Medical Journal.
De onderzoekers analyseerden bijna 38.000 geboortes in de regio Utrecht uit 2007 en 2008. In totaal overleden 99 baby’s, dat is 2,6 sterfgevallen per 1000 bevallingen. Hiervan overleden er 36 tijdens of na de bevalling, 1 per 1000. Dat is iets hoger dan in ons omringende landen. Het gaat om baby’s zonder aangeboren afwijkingen die geboren zijn na een normale zwangerschapsduur van 37 weken of meer.
De kans op babysterfte is hoger als de bevalling begint in de eerste lijn onder leiding van een verloskundige. Dit zijn zogenaamde laag-risico-bevallingen waar geen complicerende factoren een rol spelen. Toch is bij deze bevallingen de kans op babysterfte 2,3 maal zo hoog als bij hoog-risico-bevallingen die starten in de tweede lijn onder supervisie van een gynaecoloog. De kans op sterfte is nog hoger als een bevalling start onder begeleiding van een verloskundige maar de vrouw halverwege naar het ziekenhuis gebracht moet worden. De kans op babysterfte is dan 3,7 maal zo groot als wanneer een bevalling in het ziekenhuis begint. Intensive care-opnames komen in beide groepen evenveel voor. Maar ook hier stijgt de kans met een factor 2,5 indien de vrouw tijdens de bevalling wordt verwezen naar het ziekenhuis.
“De resultaten zijn verrassend”, zeggen gynaecoloog Anneke Kwee en neonatoloog Hens Brouwers van het UMC Utrecht. “Bij laag-risico bevallingen verwachtten we minder babysterfte en intensive care-opnames, maar het omgekeerde is waar. De huidige richtlijnen en technieken om het risico in te schatten schieten kennelijk tekort.”
Kwee en Brouwers suggereren dat een verandering van het verloskundige systeem het risico verder kan terugbrengen. “Wij denken dat het systeem van risico-inschatting en twee verloskundige lijnen niet veilig genoeg is. De eerste en de tweede lijn moeten door intensieve samenwerking het risico op sterfte en intensive care-opnames verminderen.”
De artsen van het UMC Utrecht vinden dat het systeem op vier belangrijke vlakken moet veranderen. Betere bewaking rond de bevalling; beter transport bij noodgevallen; betere informatieoverdracht tussen professionals; en betere risisco-inschatting door professionals. Deze voorstellen sluiten aan op het advies van de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte. De uitvoering van dat advies wordt op dit moment door alle betrokken beroepsgroepen in het College Perinatale Zorg i.o. voorbereid.
umc |
.
.
19:45  |
|
|
|
|
| Gen biedt bescherming tegen HIV |
Mensen die besmet raken met hiv blijven zonder medicijnen soms jarenlang gezond. Kleine variaties in één eiwit zouden dit kunnen verklaren. Wetenschappers van de Amerikaanse Harvard Medical School beschrijven dat in het tijdschrift Science van donderdag. Een van de hoofdonderzoekers, dr. Paul de Bakker, werkt ook aan het UMC Utrecht.
Eén op de driehonderd mensen die met hiv besmet raakt merkt daar praktisch niks van. Zonder hulp van medicijnen houdt hun immuunsysteem het virus onder controle en ze worden niet ziek. Grootschalig genetisch onderzoek van Harvard Medical School in de Verenigde Staten heeft nu het gen opgespoord dat hiervoor verantwoordelijk is. Het grootste deel van de ‘hiv controllers’ of langetermijn-overlevers verschilt slechts in één gen, HLA-B, van andere hiv-positieve patiënten. Door het onderliggende mechanisme te bestuderen hopen de onderzoekers dat het gen de weg kan wijzen naar een betere behandeling van hiv.
Het artikel verschijnt donderdag/vandaag online in Science Express. Dr. Paul de Bakker leidde het genetische deel van het onderzoek. Hij werkt aan Harvard Medical School maar is als humaan geneticus ook verbonden aan het UMC Utrecht. De Bakker: “Als we goed begrijpen hoe het immuunsysteem effectief kan reageren op een hiv-infectie, dan kan dat gebruikt worden voor de ontwikkeling van een vaccin. Al zal dat waarschijnlijk nog veel tijd kosten.”
De Bakker: “Eerdere studies hadden al gevonden dat HLA-genen een belangrijke rol voor het spontaan onder controle houden van HIV. Met een grootschalige aanpak is het ons gelukt precies aan te wijzen welke HLA-genen een rol spelen, en welk deel van het HLA-eiwit essentieel is voor deze unieke bescherming tegen hiv.”
Omdat langetermijn-overlevers met hiv erg zeldzaam zijn vergde het jaren internationale samenwerking om genoeg patiënten te verzamelen. De onderzoekers gebruikten de gegevens van bijna 1000 langetermijn-overlevers en ruim 2600 hiv-positieve controles uit Europa en Amerika. Het AMC in Amsterdam leverde gegevens van Nederlandse hiv langetermijn-overlevers. (Overigens zijn ‘hiv controllers’ niet resistent tegen hiv, ook zij kunnen aids krijgen, maar de ziekte treedt bij hen veel later op.)
Het HLA-eiwit zit aan de buitenkant van een cel en zorgt ervoor dat de cel opgeruimd wordt door immuuncellen als hij geïnfecteerd raakt door een virus. Het HLA-eiwit laat stukjes van het virus zien aan immuuncellen om ze op de infectie te wijzen. Bij de meeste hiv-patiënten werkt dit systeem niet goed en slagen immuuncellen er niet in de geïnfecteerde cellen weg te werken. Nu blijkt dat variaties in het HLA-B-eiwit het immuunsysteem van hiv-langetermijnoverlevers in staat stellen hiv onder controle te houden.
In Nederland hebben ruim 8.000 mensen aids en staan bijna 17.000 mensen als hiv-positief geregistreerd. Het totale aantal hiv-positieven wordt echter geschat op ruim 21.500 (bron: RIVM). Besmetting met hiv leidt uiteindelijk tot een sterke daling van het aantal immuuncellen (CD4-cellen). Patiënten kunnen zich hierdoor niet meer verweren tegen ziekteverwekkers. |
.
.
19:43  |
|
|
|
|
| Nieuwe behandeling borstkanker |
Het UMC Utrecht start in december een onderzoek naar een nieuwe behandeling voor borstkanker. Door met ultrageluid borsttumoren te verhitten, sterven tumorcellen af. Met dit onderzoek heeft het UMC Utrecht een wereldprimeur.
Bij de nieuwe behandeling verhit ultrageluid borsttumoren tot een temperatuur van 60 tot 90 graden. Tumorcellen sterven daardoor af en worden door het lichaam opgeruimd. Via een gelijktijdige MRI-scan kunnen artsen de temperatuur in de gaten houden en de plaats van de tumor precies bepalen. Voor vrouwen zou de ultrageluidbehandeling minder ingrijpend zijn dan een operatie. Ze kunnen op dezelfde dag weer naar huis en de behandeling kan onder lokale verdoving plaatsvinden. Een operatie is niet langer nodig, maar aanvullende bestraling nog wel.
In december start het UMC Utrecht als eerste ter wereld een onderzoek naar de nieuwe behandeling. In de eerste fase wordt de beeldkwaliteit van het systeem onderzocht en gaan de artsen het ultrageluid gebruiken om goedaardige gezwellen in de borst te behandelen. Ze testen zo de veiligheid en nauwkeurigheid van de techniek. Daarna behandelen artsen in een wetenschappelijk onderzoek vrouwen met borstkanker via ultrageluid, maar voeren daarna alsnog een gewone operatie uit om zo de effectiviteit van de behandeling te controleren.
Als uit deze onderzoeken blijkt dat de ultrageluid-behandeling veilig is en goed werkt, kan het over enkele jaren een normale behandeling van borstkanker worden. Interventieradioloog en onderzoeksleider dr. Maurice van den Bosch verwacht dat mogelijk een kwart van de borstkankerpatiënten voor de behandeling in aanmerking komt. Het gaat om patiënten met kleine, niet uitgezaaide borsttumoren. Deze vrouwen zouden geen operatie meer hoeven ondergaan.
De behandeling met ultrageluid is tot stand gekomen dankzij een nauwe samenwerking met Philips. Het bedrijf levert het UMC Utrecht in december het eerste MRI-ultrageluid-apparaat voor borstkanker ter wereld. Het apparaat komt te staan in het Centrum voor Beeldgestuurde Oncologische Interventies van het UMC Utrecht.
Interventieradiologen in het UMC Utrecht gebruiken ultrageluid al voor de behandeling van vrouwen met vleesbomen in de baarmoeder. De techniek is veilig en effectief gebleken. (Lees hier meer over die behandeling.)
ZonMW, KWF en CTMM betalen mee aan het onderzoek.
Eén op de negen Nederlandse vrouwen krijgt borstkanker. Het is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen. Per jaar krijgen meer dan 12.000 mensen te horen dat zij borstkanker hebben.
umc |
.
.
19:43  |
|
|
|
|
| Levertumoren van binnenuit bestraald |
Radioactieve bolletjes bestralen levertumoren van binnenuit
De afgelopen maanden zijn in het UMC Utrecht de eerste zes patiënten behandeld met radioactieve holmium-bolletjes die zich rond levertumoren ophopen. Het gaat om patiënten met zeer moeilijk behandelbare uitzaaiingen in de lever. De nieuwe behandeling is in het UMC Utrecht ontwikkeld en wordt voor het eerst in de wereld toegepast bij patiënten.
De behandeling van levertumoren is complex, omdat opereren vaak niet mogelijk is vanwege de grote hoeveelheid tumoren en de soms moeilijk bereikbare plek in de lever. Traditionele bestraling gaat ten koste van het omringende gezonde leverweefsel. Chemotherapie is voor een deel van de patiënten effectief maar voor uitbehandelde patiënten niet meer. Behandeling met radioactieve bolletjes (ook wel ‘microsferen’ genoemd) is dan de enige mogelijkheid. Medisch oncoloog Bernard Zonnenberg: “Wij verwachten dat deze therapie het leven met enkele maanden zal kunnen verlengen bij patiënten die na eventuele chemotherapie geen behandelopties meer hebben.”
De eerste zes patiënten in deze studie hebben de behandeling goed doorstaan. De onderzoekers testen in dit fase-I onderzoek de veiligheid van de behandeling en kijken welke hoeveelheid radioactieve holmium-microsferen het meest geschikt is voor de behandeling. De patiënten voor wie deze therapie geschikt is mogen geen tumoren buiten de lever hebben.
Bij de therapie krijgen patiënten met levertumoren miljoenen radioactieve holmium-bolletjes toegediend via een slangetje in de leverslagader. Het holmium in de bolletjes wordt in een kernreactor radioactief gemaakt. De microsferen hebben een diameter van minder dan een haar en bestaan uit polymelkzuur en holmium. De radioactieve bolletjes worden meegevoerd door de bloedstroom en lopen dan vast in de kleine bloedvaten rondom de tumoren. Op die manier bestralen ze vervolgens de tumoren.
Medisch bioloog Frank Nijsen ontwikkelde de nieuwe behandeling in samenwerking met medisch oncoloog Bernard Zonnenberg en chemicus Fred van het Schip. De groep breidde zich de afgelopen jaren flink uit en twee jaar geleden zijn daaraan interventieradioloog Maurice van den Bosch en nucleair geneeskundige Marnix Lam toegevoegd waarmee het behandelingsteam compleet was. De therapie is gedurende de afgelopen vijftien jaar in het UMC Utrecht ontwikkeld en wordt nu voor het eerst bij mensen toegepast.
Unieke aan deze therapie is dat de hele ontwikkeling is uitgevoerd door onderzoekers van het UMC Utrecht, in nauwe samenwerking met de faculteiten bètawetenschappen en diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Daarnaast bestaat een samenwerking met onderzoekers van de kernreactoren van Delft en Petten waar de bolletjes radioactief worden gemaakt.
umc |
.
.
19:42  |
|
|
|
|
| "Blowen beïnvloedt gezondheid jongeren" |
Mensen die op een leeftijd van twaalf jaar of jonger beginnen met het gebruik van cannabis, hebben driemaal zo vaak last van psychotische symptomen als jongvolwassene. Dat concluderen onderzoekers van het UMC Utrecht op basis van een online onderzoek bij 26.000 jongeren.
In het onderzoek vulden meer dan 26.000 Nederlandse jongeren van gemiddeld 21 jaar op de website www.cannabisquest.nl vragenlijsten in over drugsgebruik en psychiatrische symptomen. Uit de resultaten blijkt dat mensen die op een de leeftijd van twaalf jaar of jonger zijn begonnen met blowen, driemaal zo vaak last hebben van psychotische symptomen zoals achterdocht en stemmen. Daarnaast blijkt dat de kans dat iemand ooit is opgenomen in een psychiatrische instelling groter wordt naarmate hij of zij meer cannabis gebruikt. De resultaten zijn onlangs gepubliceerd in het vaktijdschift Psychological Medicine.
De resultaten van deze onderzoeken suggereren dat cannabisgebruik lang niet meer zo onschuldig is als vroeger werd gedacht. De vraag blijft alleen of mensen met problemen meer cannabis gaan roken, of dat je van cannabis problemen krijgt. Het THC-gehalte (de werkzame stof) van cannabis is nu veel hoger dan twintig jaar geleden. Uit steeds meer studies blijkt dat in ieder geval kwetsbare groepen zoals jongeren door cannabisgebruik meer risico lopen op gezondheidsproblemen. Omdat veel jongeren op steeds jongere leeftijd met deze sterke cannabis in aanraking komen, ontstaat er mogelijk een risico voor de volksgezondheid, stellen de onderzoekers van het UMC Utrecht.
Psychiaters vermoedden al lang dat cannabisgebruik de kans op psychiatrische stoornissen zoals depressie en psychose vergroot, zegt onderzoeksleider prof. dr. René Kahn. Hij is hoogleraar psychiatrie en afdelingshoofd aan het UMC Utrecht. “Onderzoek naar psychiatrische aandoeningen wordt bemoeilijkt doordat het meten van psychische fenomenen vaak ruimte laat voor subjectieve interpretatie. Het unieke van deze studie is dat een psychiatrische opname een keiharde uitkomstmaat is en uit de analyse bovendien een ‘dosis-respons’ relatie blijkt; hoe hoger de dosis cannabis, hoe groter de kans op opname in het verleden.” (hetonderzoek)Labels: Cannabis |
.
.
19:39  |
|
|
|
|
| Leeftijd inschatten met druppeltje bloed |
Wetenschappers van het Erasmus MC hebben een methode ontwikkeld die het mogelijk maakt om met slechts één druppel bloed een inschatting te maken van de leeftijd van de persoon van wie deze bloeddruppel afkomstig is.
Onbekende dader De geschatte leeftijd vormt een aanknopingspunt bij het opsporen van een onbekende dader van een misdrijf of bij het identificeren van slachtoffers van rampen. De onderzoekers publiceren hun bevindingen in het medisch vakblad Current Biology.
Tanden en botten Om de leeftijd van een onbekende persoon te achterhalen, was het tot nu toe noodzakelijk om te beschikken over tanden of botten. Bij de meeste misdrijven zijn echter alleen bloedsporen te achterhalen. Dat maakte het noodzakelijk om te zoeken naar een methode waarmee uit bloed de leeftijd kan worden bepaald.
Voorspellen Bepaalde DNA-moleculen in sommige bloedcellen nemen af naarmate iemand ouder wordt. “Op basis daarvan hebben we een betrouwbare en gevoelige, maar simpele test ontwikkeld”, zegt prof. dr. Manfred Kayser, hoogleraar Forensische Moleculaire Biologie van het Erasmus MC. “Hiermee kunnen we de leeftijdscategorie voorspellen van degene van wie het bloedspoor afkomstig is.”
Misdrijf of ramp De nieuwe methode biedt naast het opsporen van onbekende daders van een misdrijf, ook aanknopingspunten voor het identificeren van slachtoffers van een treinramp, een natuurramp of een bomaanslag. In tegenstelling tot vliegtuigrampen, is het bij deze rampen vaak niet bekend wie de slachtoffers zijn. De leeftijd kan dan een belangrijke laatste sleutel vormen om de identiteit van een slachtoffer definitief vast te stellen.
Behalve de afdeling Forensische Moleculaire Biologie is ook de afdeling Immunologie van het Erasmus MC bij het onderzoek betrokken. |
.
.
19:34  |
|
|
|
|
| Hoestdrank voorspelt reactie op kankermedicijn |
Onderzoekers van het Erasmus MC hebben ontdekt dat hoestsiropen kunnen voorspellen hoe goed patiënten het kankermedicijn tamoxifen omzetten. Veel vrouwen met borstkanker worden behandeld met dit medicijn.
Actief Tamoxifen zorgt dat de tumor minder snel groeit en de kans op uitzaaiingen kleiner wordt. Het medicijn moet door het lichaam worden omgezet naar de actieve stof endoxifen om zijn anti-kanker werking te kunnen doen. Sommige vrouwen zetten het middel slechter om dan anderen, terwijl elke patiënt dezelfde dosering krijgt voorgeschreven.
Siroop In het onderzoek werd aan veertig borstkankerpatiënten een kleine dosis hoestsiroop gegeven, met de werkzame stof dextromethorfan, nadat ze tamoxifen innamen. Vervolgens werd door middel van bloedmonsters gekeken hoe de hoestsiroop en het geneesmiddel in het lichaam werden omgezet.
Minder bijwerkingen "De manier waarop het lichaam de hoestsiroop omzet, komt grotendeels overeen met de manier waarop het lichaam tamoxifen omzet", zegt promovendus Anne-Joy de Graan van het Erasmus MC-Daniel den Hoed. Een hoestsiroop is een goed alternatief om mee te testen, omdat het minder bijwerkingen heeft dan het kankermedicijn tamoxifen.
Omzetten "Het is cruciaal om vooraf te weten of vrouwen tamoxifen voldoende kunnen omzetten om het werkzaam te maken", zegt dr. Ron Mathijssen, internist-oncoloog en klinisch farmacoloog. "Als we van tevoren weten dat een vrouw het medicijn slecht kan omzetten, kunnen artsen overwegen de dosis te verhogen of om over te stappen op een ander middel." (hetonderzoek) |
.
.
17:57  |
|
|
|
|
| Websites met nepmedicijnen vrijwel onmogelijk te herkennen |
Met een namaakwebshop voor geneesmiddelen heeft VWS laten zien hoe moeilijk het is om nep van echt te onderscheiden. In de opgezette webshop www.medi-plaza.nl kunnen mensen zelf ervaren hoe professioneel malafide aanbieders te werk gaan om online nepmedicijnen te verkopen. Het Ministerie van VWS is deze campagne gestart om Nederlandse consumenten te informeren over mogelijke gevaren, zodat zij de risico’s die het bestellen van medicijnen via internet met zich meebrengen beter kunnen inschatten.
Uit onderzoek uit 2008-2009 in opdracht van VWS blijkt dat circa 900.000 Nederlanders (5,5%) een online bestelling overwegen; hiervan bestellen ruim 500.000 Nederlanders (3,3%) medicijnen online. Het is vrijwel onmogelijk om de websites van malafide aanbieders te onderscheiden van websites van echte apothekers. De websites ogen in alles betrouwbaar en verschijnen bovenaan in zoekresultaten.
De verpakkingen en bijsluiters verschillen vaak niet of nauwelijks van de originele en de medicijnen zijn vaak alleen in laboratoria te onderscheiden van de echte geneesmiddelen. Consumenten zijn echter niet altijd op de hoogte van de risico’s, of men schat de kans hier zelf mee in aanraking te komen klein in. Met deze campagne wil het Ministerie van VWS Nederlanders niet alleen informeren, maar ze ook zelf laten ervaren hoe moeilijk illegale aanbieders te herkennen zijn. Naast de tijdelijke webshop www.medi-plaza.nl maakt ook www.internetpillen.nl deel uit van de totale campagne.
In oktober 2010 heeft de douane op verzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Wereld Douane Organisatie (WDO) in één week tijd 99 pakketten met in totaal 24.596 potentieel gevaarlijke illegale geneesmiddelen in beslag genomen.
Het waren vooral erectiepillen, afslankmedicatie, slaappillen, anabole steroïden, antidepressiva, pijnstillers, hartmedicatie, insuline, cholesterolverlagers, haargroeimiddelen en medicijnen tegen kanker. De middelen kwamen vooral uit China, Hong Kong en India.
Vervalste medicijnen brengen grote risico’s met zich mee voor de volksgezondheid, omdat er geen enkele zekerheid is over de kwaliteit van deze middelen. De samenstelling wijkt veelal af van het originele medicijn; er kan te veel of te weinig werkzame stof in zitten, maar ook giftige of vervuilde stoffen.
Daarnaast ontbreekt de controle op de eventuele gevaren van een combinatie van verschillende medicijnen door arts of apotheker. Ook kan er door verkeerde doseringen resistentie optreden; dit levert met name bij antibiotica een aanzienlijk gezondheidsprobleem op.
Het Ministerie van VWS werkt samen met organisaties zoals de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de douane, farmaceutische industrie, patiënten- en beroepsorganisaties van artsen en apothekers. (hetonderzoek) |
.
.
17:55  |
|
|
|
| zondag 21 november 2010
|
| Twijfels over het effect van de griepprik |
Is het griepvaccin eigenlijk wel effectief? Tv-programma Zembla houdt deze vraag voor aan griepdeskundigen en stuit daarbij op veel twijfels. In de uitzending van zaterdagavond 20 november is ook de mening gepeild van griepgoeroe Ab Osterhaus van het Erasmus MC.
Ernstige gevolgen De afgelopen weken hebben miljoenen Nederlanders een griepprik gekregen. Volgens het RIVM, dat verantwoordelijk is voor de vaccinatiecampagne, beschermt de prik tegen de ernstige gevolgen van influenza. Maar klopt dat wel? Griepdeskundigen uiten daarover in Zembla hun twijfels.
Werkt niet De uitzending heeft als veelzeggende titel 'De overbodige griepprik'. Een van de criticasters die aan het woord komt, is hoogleraar innovatie en medische biotechnologie Schellekens. Over de studies naar het effect van griepvaccinatie zegt hij: "De studies bleken zo slecht uitgevoerd dat ze nauwelijks bruikbaar zijn. En van die studies die wel bruikbaar waren, luidt de conclusie dat het vaccin eigenlijk niet werkt."
Gewaarschuwd Onder de voorstanders van griepvaccinatie bevindt zich Ab Osterhaus. De viroloog is hoogleraar aan het Erasmus MC en lid van de Gezondheidsraad. Osterhaus heeft meermalen gewaarschuwd voor het uitbreken van een grieppandemie en zet in de uitzending nogmaals zijn visie uiteen.
aflevering van Zembla Lees ook de column OsterhausBV erasmusmc. |
.
.
22:25  |
|
|
|
| donderdag 18 november 2010
|
| Bewijs voor rol vee-industrie in ziekte-uitbraken |
Dieren in de vee-industrie zijn geselecteerd op snelle groei, maar dit gaat ten koste van hun natuurlijke weerstand tegen ziektes. Mogelijk heeft de vee-industrie hiermee bijgedragen aan ziekte-uitbraken en de behoefte aan antibiotica. Dit zegt de Dierenbescherming al jaren, maar ecofysiologen van de Rijksuniversiteit Groningen hebben het nu ook wetenschappelijk aangetoond. Hun onderzoek is onlangs gepubliceerd in het Britse vaktijdschrift Functional Ecology.
In de vee-industrie vormen dierziektes en het daarmee gepaard gaande antibioticagebruik een steeds groter probleem. Het grootschalig gebruik van antibiotica leidt tot resistentie van ziekteverwekkers, wat de behandeling van mensen die dezelfde ziekteverwekkers dragen ernstig kan bemoeilijken. Onder andere vanwege de ongunstige effecten op de volksgezondheid, maar ook omdat het welzijn van de dieren er door wordt aangetast, klinkt de roep uit de samenleving om beperking van antibioticagebruik steeds luider.
Biologische veehouderij Uit het Groningse onderzoek blijkt dat het mogelijk is om snelgroeiend vee te selecteren dat toch een goede weerstand heeft. De dieren zouden dan niet alleen op snelle groei moeten worden geselecteerd, maar ook op een sterker reagerend immuunsysteem. De Dierenbescherming pleit echter voor meer nadruk in de fokkerij op selectie op gezondheids- en welzijnsaspecten van de dieren, in plaats van eenzijdige selectie op een hogere productie.
Vleeskuikens Neem vleeskuikens met minimaal een ster van het Beter Leven kenmerk van de Dierenbescherming. Die dieren krijgen de kans om langzamer te groeien en zijn daardoor veel sterker. Ze worden niet of nauwelijks ziek en er wordt vrijwel geen antibiotica gebruikt. (dierenbescherming) |
.
.
14:02  |
|
|
|
|
| "Bedrijfsarts moet beter letten op luchtwegklachten" |
De opsporing en behandeling van arbeidsgerelateerde luchtwegklachten blijft in Nederland achter ten opzichte van ons omringende landen. Nauwere samenwerking tussen bedrijfsartsen, ziekenhuizen en wetenschappers kan dat verbeteren. Frits van Rooy concludeert dat in zijn proefschrift. Hij promoveert op 16 november aan het Universiteit Utrecht. In Nederland melden bedrijfsartsen minder gevallen van beroepsastma dan op basis van getallen uit ons omringende landen te verwachten is. Bedrijfsarts en promovendus Frits van Rooy denkt dat bedrijfsartsen arbeidsgerelateerde luchtwegaandoeningen niet goed genoeg herkennen en niet goed weten wat ze met de ziekte aan moeten. Het betekent dat diagnose, behandeling en preventie van deze luchtwegklachten achterblijven.
In zijn promotieonderzoek analyseerde Van Rooy luchtwegproblemen in diverse bedrijven, onder meer een chemische fabriek, een fabriek voor vloeibare wasmiddelen en een aluminiumgieterij en in de bakkerijbranche. Zijn onderzoek suggereert een rol voor de stof diacetyl bij het ontstaan van de “popcornwerkerslong”, een ernstige longziekte die voorkomt bij werknemers in de voedingsmiddelenindustrie. Verder blijkt blootstelling aan vloeibare wasmiddelenzymen bij te dragen aan allergische astma en piekblootstelling aan irriterende stoffen bij aluminiumgieters aan luchtwegproblematiek. Daarnaast blijkt vroege opsporing van beroepsastma in de bakkerijbranche mogelijk te zijn.
In al deze gevallen zochten bedrijfsartsen de samenwerking met wetenschappers omdat zij er niet in slaagden luchtwegklachten terug te brengen tot concrete situaties in het bedrijf. Dankzij samenwerking tussen arbeidsgeneeskunde, arbeidshygiëne, epidemiologie en klinische gezondheidszorg slaagde dat wel.
Volgens Van Rooy pleiten zijn resultaten voor betere samenwerking tussen bedrijfsartsen, de academische wereld en de gewone gezondheidszorg. “De huidige bedrijfsgezondheidszorg is zelden gefocust op het herkennen en voorkomen van arbeidsgerelateerde aandoeningen. De bedrijfsarts richt zich nu voornamelijk op ziekteverzuim. Op die manier zal het weinig toegevoegde waarde hebben bij de betere opsporing en behandeling van arbeidsgelateerde luchtwegklachten.”
Van Rooy denkt dat luchtwegproblematiek vaak over het hoofd gezien wordt door zowel bedrijfsartsen als artsen in de gewone gezondheidszorg. “Dit geldt voor veel werknemers die tijdens hun werk blootgesteld kunnen worden aan mogelijk schadelijk stoffen in de lucht. Dat is dus heel breed, het varieert van de chemische industrie tot aan de bouwnijverheid.”
uu. |
.
.
13:57  |
|
|
|
|
| Energiedrank vermindert slaperigheid tijdens het rijden |
De rijvaardigheid tijdens lange snelwegritten wordt aanzienlijk verbeterd door het drinken van de energiedrank Red Bull. Dit blijkt uit onderzoek van psychofarmacoloog Joris Verster en zijn collega’s van de Universiteit Utrecht. De resultaten zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Psychopharmacology. Slaperigheid tijdens het autorijden is een van de meest voorkomende oorzaken van verkeersongelukken op de snelweg. Het wordt daarom aangeraden regelmatig te pauzeren. De psychofarmacologen van de Universiteit Utrecht laten zien dat daarnaast het drinken van Red Bull de slaperigheid tijdens het rijden tegengaat, en de rijvaardigheid verbetert.
Rijsimulator Testpersonen reden in een speciale rijsimulator vier uur op een snelweg met een korte pauze na twee uur. Testpersonen die tijdens deze pauze een blikje Red Bull namen hadden hierna een betere rijvaardigheid dan deelnemers die een placebo kregen. Daarbij verminderde de energiedrank ook de slaperigheid bij de bestuurders.
Ingrediënten De energiedrank Red Bull bevat behalve cafeïne ook taurine, glucuronolactone, vitamine B en inositol. De hoeveelheid cafeïne in een blikje van de energiedrank is echter vergelijkbaar met die van één kop koffie. Joris Verster: “De combinatie van de ingrediënten is de meest waarschijnlijk reden voor de positieve effecten van Red Bull op de rijvaardigheid”.
uu.Labels: Energiedrankjes |
.
.
13:56  |
|
|
|
|
| Patiënt als coproducent in de zorg |
Vandaag berichtte de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) over de resultaten van een meldingactie onder patiënten over zelfmanagement. De berichtgeving suggereert dat patiënten erg ontevreden zijn. Maar bij grondig bestuderen van het rapport blijkt dat de tevredenheid in feite overheerst. Niettemin deelt de Orde de conclusie van de NPCF dat zelfmanagement van patiënten nog meer op de agenda moet komen te staan. De Orde kijkt uit naar een rol van de patiënt als coproducent van zijn zorg.
De melders reiken artsen in het rapport diverse adviezen aan over het verder verbeteren van hun zorg, en geven aan dat zij ook graag zelf verantwoordelijkheid voor hun zorg willen dragen. Dit sluit aan op het streven van de Orde dat de patiënt actief betrokken moet zijn bij de individuele behandeling.
Daarnaast is de Orde van mening dat de input van patiënten zeer belangrijk is bij het verbeteren van het functioneren van de individuele medisch specialist. De terugkoppeling door patiënten vormt dan ook onderdeel van IFMS-systematiek waarin de evaluatie van het individueel functioneren van een medisch specialist plaatsvindt.
Communicatie en overdracht
Een van de door de patiënten genoemde verbeterpunten is de overdracht en communicatie tussen professionals. Er zijn inmiddels diverse verbetertrajecten gestart. Zo hebben een groot aantal zorgaanbieders en patiënten gezamenlijk een ‘Handreiking verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg’ opgesteld. Deze handreiking kan worden gezien als een checklist voor zorgverleners die een samenwerking aangaan rond een patiënt. Centraal staat het aandachtspunt dat voor patiënten altijd duidelijk moet zijn wie het aanspreekpunt is voor hun vragen, wie inhoudelijk (eind)verantwoordelijkheid is en wie de zorgverlening coördineert.
Hiernaast zijn projecten gestart om de patiënt praktisch te ondersteunen als meerdere professionals betrokken zijn bij de behandeling. Zo is door de klinisch geriaters een patiëntenbrief ontwikkeld die op heldere wijze de patiënt informeert over diens behandeling door de specialist en die tevens aan de huisarts wordt gestuurd. Zo wordt de patiënt ondersteunt in zijn rol, namelijk de coproducent van zijn zorg. |
.
.
13:54  |
|
|
|
|
| Spontane mutaties belangrijke oorzaak van verstandelijke handicap |
Nijmeegse genetici presenteren nieuw paradigma voor onderzoek
Veel verstandelijke handicaps worden veroorzaakt door een spontane mutatie in de zaadcel of eicel van de ouders. Met die ontdekking lossen Nijmeegse onderzoekers niet alleen een paradox op, maar veroorzaken ze ook een kleine revolutie in de genetica. Ze beschrijven hun onderzoek in het artikel ´A de novo paradigm for mental retardation´ in het wetenschapsblad Nature Genetics.
Twee procent van de Nederlandse bevolking heeft een verstandelijke handicap. Er zijn diverse oorzaken voor verstandelijke handicaps gevonden, maar bij elkaar opgeteld verklaren ze nog niet de helft van alle gevallen. Wat is de´missing link´? Wat is de nog onbekende oorzaak van de meeste verstandelijke handicaps?
Onderzoekers van het UMC St Radboud, onder leiding van Joris Veltman en Han Brunner, tonen in een artikel in Nature Genetics aan dat nieuwe (de novo) mutaties een groot deel van de handicaps verklaren. Deze verstandelijke handicaps worden dus niet van generatie op generatie doorgegeven, maar ontstaan door spontane genetische veranderingen in de eicel of zaadcel van de ouders. Het kind heeft een foutje in een gen dat bij beide ouders nog in orde is.
De onderzoekers brachten van tien kinderen met een verstandelijke handicap alle 20.000 genen in kaart. Dat gebeurde ook met de 20.000 genen van de beide ouders. Door de resultaten met elkaar te vergelijken is precies te zien óf en wáár er verschillen zijn ontstaan tussen de genen van de ouders en de genen van hun kind.
Bij negen van de tien kinderen vonden de onderzoekers een verschil in steeds een ander gen. Bij drie kinderen had het gen niets met de aandoening te maken. Maar bij de overige zes kinderen vonden ze twee genen die zeker en vier genen die zeer waarschijnlijk bij verstandelijke handicaps betrokken zijn. Geneticus Joris Veltman: “De verstandelijke handicap bij zes van de tien kinderen ontstaat kennelijk door een nieuwe mutatie, een de novo mutatie. Dat is meer dan de helft van de - tot dusver - onverklaarbare verstandelijke handicaps!”
In de genetica vormen verstandelijke handicaps een intrigerende paradox. Mensen met een verstandelijke handicap krijgen zelden of nooit kinderen; ze geven hun handicap dus niet door aan het nageslacht. Toch balanceert het percentage verstandelijk gehandicapten in de bevolking voortdurend rond de twee procent. Hoe kan dat? Waar komen de verstandelijke handicaps dan wél vandaan? Een bevredigend antwoord was er niet.
Veltman en Brunner bieden nu een verrassende oplossing voor deze paradox. Veel verstandelijke handicaps ontstaan per toeval; door nieuwe mutaties in het erfelijk materiaal van de kinderen. Waarschijnlijk spelen ongeveer 1000 van onze 20.000 genen een belangrijke rol bij de aanleg van de hersenen en de hersenfuncties. Mutaties in die genen kunnen leiden tot een verstandelijke handicap.
Ouders die een verstandelijk gehandicapt kind krijgen, willen weten wat de oorzaak is, willen weten hoe groot de kans op herhaling is. Klinisch geneticus Han Brunner: “In meer dan de helft van de gevallen konden we daar geen antwoord op geven, omdat we de oorzaak niet kenden. Met deze aanpak is ongeveer zestig procent van de nog onbekende oorzaken op te helderen. Dat is een enorme stap vooruit. Bovendien weten we dat bij een verstandelijke handicap die is ontstaan door zo´n nieuwe mutatie, de kans op herhaling nauwelijks meer is dan voor de doorsnee bevolking. Dat is voor veel ouders een geruststellende boodschap die kan meespelen bij de keuze voor een volgend kind.”
Bij het kopiëren van de genen van de ouders naar het kind vindt gemiddeld één nieuwe mutatie plaats. Omdat mischien wel 1000 van de 20.000 genen (1 op de 20) een rol spelen bij verstandelijke handicaps, is de kans op een verstandelijke handicap door een nieuwe mutatie vrij groot. Dat geldt ook voor andere aandoeningen waarbij veel genen zijn betrokken, zoals schizofrenie en autisme. Deze mutaties kunnen hier dus ook een belangrijke rol spelen.
Voor genetisch onderzoek betekent dat een kleine revolutie, een paradigmaverschuiving. Veltman: “Tot dusver werd bij verstandelijke handicaps vooral gezocht naar meerdere genen die samen de aandoening veroorzaken. Complexe genetica noemen we dat. In de hele bevolking gaat het bij verstandelijke handicaps inderdaad om wel duizend genen. Maar per persoon – zo blijkt nu – is er in dit geval maar één gen dat de handicap veroorzaakt. Dat nieuw gemuteerde gen kun je door het screenen van de genen van ouders en patiënt zeer snel vinden, want er is maar één factor, een verandering, die de doorslag geeft. Dat levert een totaal nieuwe invalshoek op om naar ziekte, diagnostiek, therapie en preventie te kijken.”
De onderzoekers konden dit soort onderzoek niet eerder uitvoeren, omdat de apparatuur daarvoor ontbrak. Brunner: “Begin dit jaar heeft de afdeling Antropogenetica de meest moderne sequencer aangeschaft. Dit apparaat leest niet één gen af, maar alle 20.000 genen in één keer. Die enorme versnelling brengt een revolutie in de genetica teweeg en die wordt aangeduid met de term ´Next Generation Sequencing´. Screening van het persoonlijk genoom ligt nu wat geld en tijdsduur binnen handbereik. Dit onderzoek is daar een mooi voorbeeld van.”
umcn. |
.
.
13:51  |
|
|
|
|
| Subsidie voor onderzoek naar virusremmers bij kinderen |
Het UMC St Radboud heeft van ZonMw een subsidie van 600.000 euro uit het programma Priority Medicines voor kinderen gekregen. Het gaat om een onderzoek naar virusremmers bij kinderen.
Virusinfecties zijn grote ziekteveroorzakers, die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid. Kinderen, met name die met een verzwakt immuunsysteem, vormen een risicogroep voor virale infecties. Zij kunnen de besmetting tijdens de geboorte oplopen van de virusdragende moeder, maar de meeste kinderen worden besmet door anderen in hun omgeving. Virusremmers worden gebruikt bij de voorkoming en behandeling van meerdere virussen, waaronder het herpesvirus.
Een veel gebruikte virusremmer bijkinderen is aciclovir, maar het nieuwe en betere valaciclovir wint aan terrein. Probleem is, dat jonge kinderen en baby’s grote moeite hebben met de inname van valaciclovir. Zij kunnen de tabletten niet goed doorslikken. Hierdoor ontstaan problemen bij de behandeling van een virusinfectie. Er zijn dus goed inneembare medicijnen met een aangename smaak nodig. Bovendien mag de werkzaamheid van het middel niet afnemen.
In het project werkt de afdeling Kindergeneeskunde van het UMC St Radboud samen met de afdeling Apotheek/Klinische Farmacie. De ziekenhuisapothekers ontwikkelen een valaciclovirdrank, waarbij ze letten op smaak en kwaliteit. Dranken zijn voor kleintjes gemakkelijk om in te nemen en de dosering kan eenvoudig aangepast worden aan de grootte van het kind. In de eerste fase van het onderzoek wordt bij gezonde volwassen vrijwilligers de opname van de nieuwe drank in het bloed vergeleken met die van de tabletten. Vervolgens krijgen kinderen die een stamceltransplantatie hebben ondergaan en daardoor een verzwakte weerstand hebben, de drank toegediend als bescherming tegen virusinfecties. De onderzoekers gaan bij de kinderen na of er voldoende opgenomen wordt en of er bijwerkingen optreden. Hierbij werkt het UMC St Radboud samen met de UMC’s in Leiden en Utrecht.
umcn. |
.
.
13:50  |
|
|
|
|
| ParkinsonNet nu in het hele land |
ParkinsonNet, een zorginnovatie die de kwaliteit van zorg voor parkinsonpatiënten verbetert, heeft volledige landelijke dekking bereikt. Dit betekent dat iedere parkinsonpatiënt in Nederland nu terecht kan bij zorgverleners, die zich hebben gespecialiseerd in de ziekte van Parkinson. Tijdens het ParkinsonNet jaarcongres, op 27 november aanstaande in de Jaarbeurs in Utrecht, presenteren de negentien medische beroepsgroepen die in ParkinsonNet samenwerken de eerste multidisciplinaire parkinsonrichtlijn.
ParkinsonNet is een serie van regionale netwerken die bestaan uit neurologen en paramedici. Binnen het netwerk kunnen neurologen en andere verwijzers patiënten volgens vaste criteria gemakkelijk verwijzen naar paramedici met kennis van Parkinson.
Het eerste regionale ParkinsonNet is in 2004 in de regio Arnhem-Nijmegen opgezet. Sinds november 2010 is in elke regio van Nederland een ParkinsonNet aanwezig. Er zijn neurologen, parkinsonverpleegkundigen, fysiotherapeuten, oefentherapeuten, logopedisten, psychologen, maatschappelijk werkers, diëtisten en seksuologen bij ParkinsonNet betrokken. Kenmerkend voor ParkinsonNet is, dat de deelnemende zorgverleners hun deskundigheid op het gebied van deze ziekte via scholing en kennisuitwisseling actueel houden en hun zorg voor de parkinsonpatiënt onderling goed afstemmen. Ze kunnen in een beveiligde internetomgeving informatie uitwisselen met elkaar en met de patiënt. Vanuit het UMC St Radboud biedt de overkoepelende organisatie aan alle betrokken disciplines cursussen en andere scholingsbijeenkomsten aan.
Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het ParkinsonNet de kwaliteit van zorg voor parkinsonpatiënten verbetert. Bovendien liet dit onderzoek een aanzienlijke financiële besparing zien: landelijk levert het ParkinsonNet een kostenbesparing van ruim zeventig miljoen euro op jaarbasis. Vanwege deze combinatie van kwaliteit en kostenbeheersing heeft ZonMw ParkinsonNet bekroond met de parelstatus. Bovendien is deze maand bekend geworden dat Zorgverzekeraars Nederland, de koepel van alle zorgverzekeraars in Nederland, besloten heeft om ParkinsonNet te ondersteunen. Op deze wijze kan de kwaliteit van zorg voor parkinsonpatiënten blijvend worden vergroot. Zorgverzekeraars Nederland ziet ParkinsonNet als het ideale model om ook de kwaliteit van zorg voor patiënten met andere chronische aandoeningen te verbeteren.
Het werken volgens richtlijnen is een centraal onderdeel van het kwaliteitsbeleid binnen ParkinsonNet. Tot op heden werkte iedere zorgverlener volgens de richtlijn van de eigen medische discipline. Bijzonder is dat alle beroepsverenigingen die betrokken zijn bij de parkinsonzorg samen met de Parkinson Vereniging een gezamenlijke richtlijn voor de behandeling van patiënten met de ziekte van Parkinson hebben ontwikkeld. De eerste exemplaren van deze richtlijn worden op 27 november, tijdens het jaarcongres van ParkinsonNet, overhandigd aan Henk Smid, directeur van ZonMw, aan mevrouw Stefanie van Vliet, directeur van de Parkinson Vereniging en aan vertegenwoordigers van alle negentien beroepsgroepen die bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken waren.
umcn. |
.
.
13:49  |
|
|
|
|
| Nederlandse burger positief over gezondheidszorg |
Nederland onderscheidt zich internationaal positief op de toegankelijkheid van de gezondheidszorg, maar er blijven ook kansen liggen. Dat blijkt uit een enquête onder bijna 20.000 burgers in 11 landen. Het Nederlandse deel van het onderzoek is uitgevoerd door de afdeling IQ healthcare van het UMC St Radboud.
Het Amerikaanse Commonwealth Fund laat jaarlijks een onderzoek uitvoeren om inzicht te krijgen in het functioneren van nationale gezondheidszorgsystemen. Door het internationale karakter is het mogelijk om sterke en zwakke punten aan te wijzen. Ook kunnen in de loop der jaren trends zichtbaar worden. Het onderzoek van 2010 richtte zich op de ervaringen van de burgers in de deelnemende landen. In voorgaande jaren stonden ervaringen van onder andere chronisch zieken en medische beroepsbeoefenaren centraal.
Sterk punt van de Nederlandse gezondheidszorg is de toegankelijkheid. Tussen de 70 en 80 procent van de Nederlandse respondenten kon dezelfde of de volgende dag terecht voor een afspraak met de huisarts. Ook de medisch specialistische zorg is goed toegankelijk. Meer dan driekwart van de respondenten kon binnen vier weken bij een medisch specialist terecht. De gemiddelde Nederlandse burger ervaart weinig financiële belemmeringen. Dit komt door de gratis toegankelijke huisartsenzorg en de relatief lage eigen bijdragen. Hiermee scoort de Nederlandse gezondheidszorg internationaal goed op het punt van zowel de fysieke als financiële toegankelijkheid. Het preventiebeleid voor risicopopulaties, bijvoorbeeld hartpatiënten of patiënten met diabetes, wordt adequaat uitgevoerd. Nederlandse respondenten ervaren weinig problemen met de coördinatie van zorg en rapporteren weinig medische fouten. De communicatie van de Nederlandse huisarts is goed in vergelijking met andere landen.
Toch blijven er ook kansen liggen. De Nederlandse gezondheidszorg blijft achter als het gaat om darmkankerscreening. Verder doet de huisarts weinig aan leefstijlbegeleiding, zowel van mensen met bijvoorbeeld overgewicht, als van mensen met een chronische aandoening voor wie begeleiding op het gebied van voeding, bewegen of stress relevant is. Verder is het aantal onterechte bezoeken aan de Spoedeisende Hulp hoog en zou er vanuit de huisartspraktijk extra aandacht moeten zijn voor medicatiebewaking. De huisarts zou in individuele gevallen meer ondersteuning kunnen bieden bij de coördinatie van zorg.
Trends over de afgelopen jaren laten zien dat de telefonische bereikbaarheid van de huisartsenpraktijk sterk is verbeterd. Het percentage Nederlandse gezinnen dat het afgelopen jaar niets heeft betaald voor medische behandelingen of diensten is sterk gedaald. Dit is het gevolg van de invoering van de eigen bijdrage aan de ziektekosten. Toch wordt dit niet als een belemmering ervaren.
Dit jaar namen de Verenigde Staten, Canada, Nieuw Zeeland, Australië, Duitsland, Frankrijk, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Zwitserland en Nederland aan het onderzoek deel.
umcn. |
.
.
13:48  |
|
|
|
| woensdag 17 november 2010
|
| Nieuwe catheterbehandeling tegen hoge bloeddruk |
Hoge bloeddruk blijkt terug te dringen door gericht zenuwen weg te branden rondom de nieren. De effecten van de nieuwe behandeling zijn op woensdag 17 november gepresenteerd op het jaarcongres van de American Heart Association. Het Erasmus MC is een van de deelnemers aan het onderzoek.
Vroegtijdig Hoge bloeddruk is wereldwijd de belangrijkste risicofactor voor vroegtijdig overlijden. Bijna de helft van de Europeanen lijdt onder te hoge bloeddruk en bij een deel van de mensen slaat een behandeling met medicijnen niet aan. Die medicijnen moeten vaak levenslang geslikt worden en kunnen behoorlijke bijwerkingen hebben.
Zenuwen Alhoewel de meeste mensen wel weten dat hoge bloeddruk kan leiden tot een vroegtijdig hart- of herseninfarct, weten weinigen dat de zenuwen rondom de nieren een belangrijke rol spelen in de bloeddrukregulatie. Bij veel mensen met hoge bloeddruk is dit mechanisme ontregeld.
Branden De nieuwe catheterisatiebehandeling speelt hierop in door de zenuwen van binnenuit weg te branden. Dit houdt in dat een in de liesslagader ingebrachte catheter het zenuwweefsel met radiogolven wegbrandt. Daarmee worden zenuwsignalen geblokkeerd en het ontregelde mechanisme voor de bloeddrukregulatie gestopt.
Halvering Uit de resultaten van de studie die woensdag de 17e is gepresenteerd, blijkt dat zes maanden na de behandeling de bovendruk gemiddeld daalt, wat meer dan een halvering betekent van de kans om binnen tien jaar aan hart- en vaatziekten te overlijden. Uiteindelijk heeft ongeveer 40% van de mensen na behandeling geen hoge bloeddruk meer.
erasmusmc. |
.
.
18:04  |
|
|
|
| dinsdag 16 november 2010
|
| Europees onderzoek naar Costridium difficile in ziekenhuizen |
De bacterie Clostridium difficile komt overal in Europa frequent voor in ziekenhuizen, zo blijkt uit onderzoek onder leiding van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en het Centrum voor Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu (RIVM) onder honderden Europese ziekenhuispatiënten. De resultaten staan vandaag in The Lancet.
De darmbacterie Clostridium difficile zorgt wereldwijd regelmatig voor infecties onder ziekenhuispatiënten. Infectie leidt tot diarree en in het uiterste geval tot een ernstige dikkedarmontsteking, waaraan verzwakte patiënten soms overlijden. Vanaf 2003 traden er in de VS, Groot-Brittannië en sinds 2005 in Nederland meerdere grote uitbraken van deze ziekte in ziekenhuizen op. De uitbraken werden veroorzaakt door één zogenaamde ‘hypervirulente’ stam, type 027. Er werd gevreesd dat deze stam in korte tijd heel Europa zou veroveren. Onderzoekers brengen nu in The Lancet in kaart hoe vaak de infectie in verschillende Europese ziekenhuizen voorkomt, hoe ernstig deze verloopt en welke stammen ervoor verantwoordelijk zijn. In 97 ziekenhuizen in 29 landen werd vastgesteld hoeveel de infectie voorkwam. Er werd gedetailleerde informatie afgenomen van 519 van de patiënten die besmet bleken en fecesmateriaal afgenomen van ongeveer 400 van deze patiënten.
Ernstig beloop De meeste patiënten die een infectie met C. difficile doormaakten, hadden een hoge leeftijd, een onderliggende ziekte en werden met antibiotica behandeld. Er werd een grote variatie aangetroffen van de incidentie van de ziekte en de verschillende typen C. difficile die in de ziekenhuizen circuleerden. Na drie maanden was 22 procent van de besmette mensen overleden. De sterfte van 40 procent hiervan was ten minste ten dele toe te schrijven aan de darmbacterie. Het hypervirulente type 027 werd minder aangetroffen dan verwacht: bij 5 procent van de patiënten. Ook andere stammen bleken samen te gaan met een ernstig beloop. Eén stam, type 078, bleek veel meer voor te komen dan in 2005. Deze stam vertoont overeenkomsten met type 027, maar veroorzaakt diarree bij jongere patiënten. Recent is dit type ook als een belangrijke verwekker van diarree bij dieren gevonden.
C. difficile C. difficile kan gifstoffen (toxinen) maken die diarree veroorzaken. Van de bacterie worden meer dan 300 verschillende typen onderscheiden die in de darm aanwezig kunnen zijn zonder symptomen van ziekte. Problemen ontstaan vaak na gebruik van antibiotica waardoor C. difficile kan uitgroeien en toxinen produceert die diarree veroorzaken. De ziekteverwekker kan in en buiten het lichaam lang overleven in een zogenaamde niet actieve sporevorm, die de bacterie ongevoelig maakt voor vele antibiotica en schoonmaakmiddelen. Vanuit de sporevorm kan de bacterie opnieuw groeien als de omstandigheden verbeteren.
lumc. |
.
.
17:11  |
|
|
|
|
| Genen ontdekt die impulsen in hart beïnvloeden |
Onderzoekers van het Erasmus MC en het UMC Groningen hebben, samen met Europese en Amerikaanse onderzoekers, nieuwe genen ontdekt die de geleiding van de elektrische impulsen in het hart beïnvloeden.
Pacemaker De ritmische samentrekking van het hart komt tot stand door impulsen die vanuit gespecialiseerde hartcellen door het hart worden geleid. Afwijkingen in dit geleidingssysteem kunnen ertoe leiden dat een persoon een pacemaker nodig heeft, of risico's loopt op hartfalen of een plotse hartdood.
Impulsen Onderzoekers van het Erasmus MC en UMCG hebben, in samenwerking met meer dan honderd andere Europese en Amerikaanse wetenschappers, 22 genen ontdekt die van invloed zijn op deze geleiding van de elektrische impulsen in het hart. De resultaten zijn dinsdag 16 november gepubliceerd in het tijdschrift Nature Genetics.
Hartkamers De resultaten komen voort uit een samenwerking van vijftien Europese en Amerikaanse studies, waarbij van bijna vijftigduizend mensen het DNA is onderzocht. Al deze mensen hebben electrocardiogram-metingen ondergaan, waarin de zogeheten QRS-duur is bepaald. De QRS-duur is een maat voor de geleiding van de elektrische impulsen door de hartkamers.
ERGO Vanuit het Erasmus MC hebben het grootschalige bevolkingsonderzoek ERGO en Erasmus Rucphen Familie studies bijgedragen. Het UMCG heeft met het PREVEND-onderzoek een belangrijke bijdrage geleverd.
erasmusmc. |
.
.
16:56  |
|
|
|
|
| Bijna 1,7 miljoen arbeidsgehandicapten |
In 2009 waren er in Nederland bijna 1,7 miljoen arbeidsgehandicapten. Dat is 15 procent van alle 15- tot 65-jarigen. Ruim 4 op de 10 arbeidsgehandicapten hadden in 2009 een betaalde baan van twaalf uur per week of meer. De helft van hen had een deeltijdbaan.
Arbeidsgehandicapten vaak 45-plussers Bij arbeidsgehandicapten gaat het relatief vaak om ouderen. In 2009 was 34 procent 55 tot 65 jaar, 28 procent was 45 tot 55 jaar. Bij niet-arbeidsgehandicapten was dat respectievelijk 17 en 21 procent.
Toename aandeel jongeren onder arbeidsgehandicapten Terwijl onder niet-arbeidsgehandicapten het aandeel jongeren van 15 tot 25 jaar ten opzichte van 2003 gelijk bleef, nam dit bij arbeidsgehandicapten met 2 procentpunt toe tot 8 procent. Dit komt neer op 136 duizend jonge arbeidsgehandicapten.
In 2009 iets meer arbeidsgehandicapten met baan Hoewel arbeidsgehandicapten aangeven een langdurige aandoening te hebben waardoor ze belemmerd worden om betaald werk te verrichten of te krijgen, had in 2009 zo'n 43 procent van hen een baan van 12 uur per week of meer. Wel was dat aanzienlijk minder vaak het geval dan bij de niet-arbeidsgehandicapten. Van hen was 72 procent aan het werk.
Zowel bij arbeidsgehandicapten als bij niet- arbeidsgehandicapten was de arbeidsdeelname in 2009 hoger dan in 2003. Bij de laatste groep was de toename echter groter.
Sterke groei deeltijdwerken bij arbeidsgehandicapten Arbeidsgehandicapten met een baan werken veel vaker in deeltijd dan niet- arbeidsgehandicapten. In 2009 had 51 procent van hen een baan van 12 tot 35 uur per week, tegenover 38 procent van de niet-arbeidsgehandicapten. Bij beide groepen is het aandeel parttimers in 2009 ten opzichte van 2003 gestegen. Bij arbeidsgehandicapten was die toename bijna 7 procentpunt, tegenover bijna 4 procentpunt bij personen zonder arbeidshandicap. |
.
.
16:33  |
|
|
|
|
| Borstkanker screenen met MRI redt levens |
De overlevingskans van vrouwen bij wie borstkanker vaker in de familie voorkomt, stijgt als zij worden gescreend met MRI. Deze scanner ontdekt ruim twee keer zo veel tumoren als een röntgenapparaat en traceert de tumoren in een vroeg stadium.
Uitzaaien Door vroege ontdekking kan in veel gevallen worden voorkomen dat de kanker uitzaait. Dit blijkt uit een grote Nederlandse studie van zes academische instellingen en kankercentra, onder leiding van het Erasmus MC.
MRI beter De onderzoekers hebben gekeken wat de beste manier is om tumoren op te sporen bij verschillende risicogroepen en welk soort onderzoek op lange termijn het beste resultaat geeft. De MRI blijkt bij alle mensen beter tumoren te ontdekken dan de mammografie. De MRI-scan bracht gemiddeld 77% van de tumoren in beeld, terwijl met de mammografie slechts 35% zichtbaar werd.
Beter opsporen Patiënten leven langer als kanker beter wordt opgespoord. Zes jaar na de diagnose was 93% van de mensen bij wie een tumor was gevonden nog in leven. Dat percentage ligt bijna 20% hoger dan in studies waarbij mensen niet werden gescreend met MRI. Ook zaaide de kanker zich in de MRI-groep veel minder vaak uit. De onderzoekers stellen voor dat mensen die familiair zijn belast voortaan jaarlijks met MRI worden gescreend.
Grootste studie Voor de studie zijn 2.157 vrouwen onderzocht met een verhoogd risico op borstkanker. Het is de grootste studie naar borstkanker die ooit op het gebied van de radiologie is gedaan.
Erasmus MC |
.
.
16:31  |
|
|
|
| dinsdag 9 november 2010
|
| Herpeseiwit versnelt darmkanker |
Herpeseiwitten kunnen tumoren in de darm veroorzaken. Dat heeft de groep Medicinal Chemistry van hoogleraar Martine Smit van de Vrije Universiteit Amsterdam ontdekt. De bevindingen zijn belangrijk voor het ontwikkelen van nieuwe kankertherapieën. Het onderzoek wordt vandaag gepubliceerd in het prestigieuze Journal of Clinical Investigation.
Smit onderzocht het humane cytomegalovirus (CMV), één van de leden van de familie van herpesvirussen. Dit virus is bij meer dan 50% van de bevolking sluimerend aanwezig. Bij een verlaagde weerstand kan het virus actief worden.
Muizen Het cytomegalovirus produceert een eiwit, US28. Met behulp van studies in muizen toonde Smit aan dat dit eiwit tumoren in de darm kan veroorzaken. De onderzoekers kweekten daartoe muizen die zelf het virale eiwit US28 produceren. Kregen deze muizen een ontsteking, dan werd de ontwikkeling van tumoren zelfs nog versneld. “Eerder al legden we bij in vitro-experimenten een verband tussen kanker en US28. Dat hebben we nu met in vivo-experimenten bevestigd. Dit is een belangrijke stap in het onderzoek naar kanker,” aldus Smit.
Hersentumor Het onderzoek maakt deel uit van een bredere studie naar de rol van virale eiwitten en kanker. Zo toonde Smit vorige maand in Science Signaling al aan dat er ook een verband is tussen US28 en het ontstaan van agressieve hersentumoren. Voor deze studie onderzocht ze menselijke hersentumoren. Smit ontrafelde daarbij het mechanisme waarmee US28 tumoren veroorzaakte. Duidelijk bleek dat US28 in de tumoren aanwezig was. Hoe sterker het mechanisme bij een patiënt was geactiveerd, hoe slechter de overlevingskansen.
vu |
.
.
19:19  |
|
|
|
|
| “Meer aandacht voor pijnbeleving nodig bij ziekte van Huntington” |
Veel patiënten die lijden aan de ziekte van Huntington krijgen geen adequate pijnmedicatie. Dat blijkt uit onderzoek van Erik Scherder, hoogleraar klinische neuropsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en collega’s. Hij beschrijft dit in het prestigieuze medische tijdschrift The Lancet en reageert daarmee op twee eerder verschenen artikelen die stigmatisering en isolatie van Huntington-patiënten bespreken.
De ziekte van Huntington is een erfelijke ziekte die bepaalde delen van de hersenen aantast. De ziekte uit zich in zowel lichamelijke symptomen (zoals het voorkomen van onwillekeurige bewegingen) en psychiatrische symptomen (zoals persoonlijkheidsveranderingen en verstandelijke achteruitgang). Een veelgehoorde vluchtige observatie van Huntington-patiënten die te hete thee drinken zonder tekenen van pijn, werd ook in The Lancet beschreven. Scherder en collega’s deden nader onderzoek naar pijnbeleving bij Huntington. Meer dan de helft van de onderzochte patiënten lijdt pijn: slechts een klein deel daarvan ontvangt echter pijnmedicatie. Medicatie die bij nader onderzoek bovendien niet adequaat blijkt te zijn.
Een verstoring in het zenuwstelsel leidt tot ‘centrale pijn’, die niet toereikend wordt behandeld. Gegeven het feit dat pijn vaak onopgemerkt blijft bij deze groep patiënten, zou men veel meer de tijd moeten nemen om thee met ze te drinken, zo betoogt Scherder in The Lancet.
Scherder doet met zijn afdeling Klinische Neuropsychologie van de VU reeds vele jaren onderzoek naar de effecten van dementie op pijnbeleving. Ook studies naar de relatie tussen multiple sclerosis, de ziekte van Parkinson en de ziekte van Huntington, pijnbeleving en cognitief functioneren zijn in volle gang. “In het algemeen kan gesteld worden dat er bij ieder ziektebeeld sprake is van een onderbehandeling van pijn.”, aldus Scherder.
vu |
.
.
19:17  |
|
|
|
|
| Man mag contact opnemen met demente ex-partner |
’s-Hertogenbosch, 9 november 2010 - Een 86-jarige man uit Amsterdam mag weten waar zijn 85-jarige demente ex-partner verblijft en mag proberen met haar afspraken te maken. Dat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch vandaag bepaald.
De man en vrouw sloten in 2006 een samenlevingsovereenkomst. De vrouw is begin 2009 opgenomen in het ziekenhuis. Bij de vrouw is toen een vorm van dementie geconstateerd en later ook de diagnose Alzheimer gesteld. In maart 2009 is een neef van de vrouw als haar bewindvoerder aangesteld en is een mentor benoemd. De mentor en de bewindvoerder hebben in september 2009 uitvoerig overleg gehad over de plaatsing van de vrouw in een zorghotel. Overeenkomstig het plan van aanpak van de mentor en de bewindvoerder is de vrouw op 19 september 2009 ondergebracht in een zorghotel. Een telefoonnummer of verblijfadres werd niet aan haar samenlevingspartner gegeven. De partijen zijn het er niet over eens of een en ander met instemming van de vrouw is gebeurd.
Volgens de mentor en de bewindvoerder leverde het samenwonen problemen op door het gedrag van de man, die zelf ook aan de ziekte van Alzheimer leed. De bewindvoerder heeft na overleg met de mentor aan de dochter van de man laten weten dat het goed met de vrouw ging. De dochter achterhaalde op 24 september 2009 de verblijfplaats van de vrouw en volgens haar gaf zij aan te willen terugkeren naar de woning. De vrouw heeft op 30 september 2009 een briefje van de bewindvoerder ondertekend om de samenlevingsovereenkomst te beëindigen en in oktober 2009 is zij door de bewindvoerder en/of de mentor elders in een woonzorgvoorziening ondergebracht. Het nieuwe adres is voor de man en zijn dochter tot op heden geheim gehouden. De man streeft geen hervatting van het samenleven meer na, maar treurt om de onvrijwillige breuk en mist het contact met de vrouw zeer. Hij heeft via zijn dochter en zijn advocaat meermalen aan de mentor en bewindvoerder gevraagd om haar te zien en te spreken te krijgen. De man stapte naar de rechter en vroeg de voorzieningenrechter de mentor en bewindvoerder op te dragen de verblijfplaats en het telefoonnummer van de vrouw bekend te maken en ervoor te zorgen dat hij drie keer per week telefonisch contact met haar kan hebben. Ook vroeg de man een omgangsregeling te treffen. De bewindvoerder en de mentor vroegen de rechter een contactverbod op te leggen.
De voorzieningenrechter hield de behandeling van het kort geding op 11 oktober 2010 aan in verband met een huisbezoek aan de vrouw om haar visie te vernemen. In aansluiting op dat gesprek heeft de rechter met de advocaten van beide partijen afgesproken dat er een eenmalige ontmoeting tussen de man en de vrouw zou plaatsvinden. Die ontmoeting heeft op 22 oktober 2010 plaatsgehad. Volgens de man is de ontmoeting positief verlopen en is er alle reden voor periodieke ontmoetingen. Volgens de mentor en de bewindvoerder heeft de ontmoeting voor de vrouw geen enkele toegevoegde waarde gehad, bij haar tot (grote) onrust geleid en moet deze zeker niet leiden tot een omgangsregeling. Beide partijen hebben de voorzieningenrechter vervolgens om een vonnis gevraagd.
Volgens de voorzieningenrechter zijn er kort gezegd geen goede redenen voor de mentor en de bewindvoerder om de verblijfplaats van de vrouw nog langer voor de man geheim te houden. De bewindvoerder mag zich alleen met vermogenskwesties inlaten en daar gaat dit kort geding niet over. Door haar verblijfplaats geheim te houden schermt de mentor haar af, in het bijzonder voor de man en de zijnen. Voor die blokkade moet de mentor goede redenen hebben. Dat leidt tot de vraag of hij hier ‘de zorg betracht van een goed mentor’. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de mentor het relationele aspect vanaf het begin te veel uit het oog verloren. Volgens de rechter heeft de vrouw zelf geen overwegende bezwaren tegen contact met de man en heeft zij zich integendeel in het gesprek met de rechter daarover positief geuit. De man mag dus weten waar de vrouw verblijft. De voorzieningenrechter beslist dat de man ook contact met de vrouw mag opnemen om te vragen of hij mag langskomen, waarbij het aan de vrouw is daarop wel of niet in te gaan.
De voorzieningenrechter treft geen omgangsregeling omdat de wet daarvoor geen mogelijkheid biedt, nog afgezien van de praktische haken en ogen die daaraan in de weg staan. Ook wijst de rechter het door de bewindvoerder en mentor gevraagde contactverbod af, nu er geen aanleiding is om aan te nemen dat de man onrechtmatige handelingen jegens de vrouw in de zin heeft. Hij is een oude man met een slechte gezondheid die twee uur rijden van haar vandaan woont, geen financiële aanspraken heeft en niet (meer) wil tornen aan de zorg die de vrouw krijgt. Het feit dat de man en zijn dochter het geval onder de aandacht van de media hebben gebracht, is geen rechtvaardiging voor het gevraagde contactverbod. De voorzieningenrechter geeft in het vonnis geen oordeel over de gang van zaken toen de vrouw in september 2009 in een zorghotel werd geplaatst, omdat de vorderingen in het kort geding daar niet over gaan. |
.
.
15:12  |
|
|
|
|
| Flexibel werken maakt gelukkig |
Flexibel werken leidt tot minder stress, minder files, hogere arbeidsparticipatie en minder beroep op kinderopvang. Dit blijkt uit een onderzoek van de ministeries van OCW en VWS in het kader van de 'Week van het nieuwe werken'. Flexibel werken maakt mensen productiever en meer bereid tot overwerken en is een belangrijke of doorslaggevende voorwaarde bij het zoeken naar een nieuwe baan. Nederlanders staan zeer positief tegenover flexibel werken: 85% vindt het een goede zaak.
'De week van het nieuwe werken' vindt plaats van 8 tot en met 14 november en is de afsluiting van de campagne 'Het nieuwe werken doe je zelf', een initiatief van stichting Natuur en Milieu.
Het kabinet wil mensen in staat stellen een goede balans te vinden tussen betaald werk, zorgtaken, vrijwilligerswerk, scholing en vrije tijd. Een werkelijke verhoging van de arbeidsparticipatie kan alleen worden bereikt als er genoeg mogelijkheden zijn om werk op flexibele wijze te combineren met andere activiteiten.
35% van de werkende Nederlanders geeft aan flexibel te werken. Driekwart van de flexibele werkers varieert in de begin- en eindtijden van het werk. Circa vier op de tien werken thuis of werken soms tijdelijk meer of minder. Mannen en vrouwen werken even vaak flexibel en ook naar leeftijd zijn er weinig verschillen. De belangrijkste motieven om flexibel te werken zijn: beter te kunnen zorgen voor kinderen of andere familieleden, beperking van de reistijd en ziek zijn. Voordelen van flexibel werken zijn: minder beroep op de kinderopvang, hogere arbeidsparticipatie, minder files en minder stress.
Meer geluk en meer tijd voor gezin Flexibel werken heeft niet alleen persoonlijke voordelen, ook het eventuele gezin en het werk hebben er veel voordeel bij. 38% van de flexibele werkers ervaart meer rust in het huishouden, bij 33% is de kwaliteit van de aandacht voor de gezinsleden toegenomen. Gezinsleden voelen zich gelukkiger door flexibel werken (27%). Flexibele werkers ervaren een toename van: het gevoel van vrijheid (74%), de mate waarin men zich gelukkig voelt (48%), en de tijd die men voor zichzelf heeft (41%). Tevens ervaart men een afname in stress (39%). Eén van de respondenten omschreef dit als volgt: 'Minder stress en meer rust maken dat ik me gelukkiger voel'.
Tevredenheid werk Mensen die flexibel werken, geven in meerderheid aan hierdoor meer tevreden over hun baan te zijn geworden (56%). Flexibele werkers geven aan dat men meer werk aan kan (38%) en dat hun bereidheid tot overwerken is toegenomen (46%). 30% heeft als gevolg van het flexibele werken het aantal uren werk uitgebreid.
Daarnaast draagt flexibel werken bij aan het tegengaan van de files. 39% van de flexibele werkers is sinds zij flexibel werken vaker buiten de spitsuren gaan reizen.
Bij 90% van de niet-flexibele werkers is flexibel werken niet toegestaan. Als dit wel zou worden toegestaan dan zou 60% van deze groep waarschijnlijk of zeker wel flexibel gaan werken.
Flexibel werken kan helpen bij aantrekken van nieuw personeel. Voor meer dan de helft van de werkende Nederlanders is flexibel werken een belangrijke of doorslaggevende voorwaarde bij het zoeken naar een nieuwe baan. |
.
.
14:40  |
|
|
|
|
| 70 Procent ‘werkgevers’ zorg en welzijn ontevreden over aansluiting onderwijs |
Gevolgen zijn minder goede dienstverlening en irritatie bij collega’s De geplande bezuinigingen en/of de grotere personeelsbehoefte op de middellange termijn zijn enkele redenen om een betere aansluiting met het onderwijs te wensen. Het merendeel van de werkgevers ziet op dit moment nog verbeterpunten op dit vlak. Zo blijkt uit onderzoek van ZW Haaglanden in 2010 heeft gehouden onder opleidingsadviseurs, personeelsadviseurs, hoofden opleidingen en managers van zorg- en welzijnsorganisaties uit de regio Haaglanden en Nieuwe- Waterweg Noord. De gevolgen van de door werkgevers gesignaleerde knelpunten zijn een minder goede dienstverlening (zorg/welzijn) en irritatie bij de directe collega’s.
70 Procent ervaart veel of een redelijk aantal knelpunten Bijna alle van de 66 respondenten ervaren minimaal één knelpunt bij de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt (zie tabel). 70 Procent ervaart echter een redelijk aantal tot veel knelpunten. Op de eerste plaats staat de geringe mate waarin onderwijs de praktijk kent. Op respectievelijk de tweede en derde plaats staan de beperkte vakkennis en slechte (werk-) houding van afgestudeerden. “Het onderzoek focust zich op de perceptie van werkgevers”, aldus Marlies Rosenbrand, beleidsmedewerker ZW Haaglanden. “Beperkingen in tijd en geld van het onderwijs en ook dat leerlingen bij aanvang van de opleiding vaak niet over de juiste vaardigheden beschikken, worden niet meegenomen in dit onderzoek. Over de aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt organiseren Kamer van Koophandel Den Haag en ZW Haaglanden op 23 november een bijeenkomst ‘Naar een beter Match. Zorg- en welzijnswerkgevers en opleiders aan zet!’. Centraal staat hierbij hoe samen met het onderwijs de basis kan worden gelegd voor innovatieve oplossingen.”
Knelpunten leiden tot minder goede dienstverlening Bijna de helft van de respondenten die knelpunten ervaren, geeft aan dat de kwaliteit van de dienstverlening te leiden heeft onder de gebrekkige aansluiting. Eenzelfde percentage ervaart irritatie bij het zittend personeel. Daarnaast vindt bijna 40 procent het moeilijk om geschikt personeel te werven. |
.
.
12:36  |
|
|
|
| maandag 8 november 2010
|
| Vroege tekenen van prostaatkanker ontdekt |
Artsen kunnen aan de hand van vroege tekenen van prostaatkanker de ziekte spotten voor de symptomen zich voordoen, dat hopen althans Britse wetenschappers na een belangrijke ontdekking.
Proteïnes De onderzoekers vergeleken een reeks signalen van prostaatkanker van 2.686 zieke mannen met 2.766 gezonde mannen. Zo ontdekten ze twee proteïnes die in hogere mate aanwezig zijn bij patiënten met deze ziekte. De proteïnes worden groeifactoren genoemd die de normale groei en ontwikkeling regelen bij organen en weefsels, voornamelijk in de baarmoeder en tijdens de jeugd. Professor Mari-Anne Rowlands: "Het is nog te vroeg om iets te zeggen maar deze resultaten suggereren dat we een nieuw signaal hebben ontdekt voor prostaatkanker in een vroege fase wanneer er nog geen symptomen merkbaar zijn. Er is wel nog meer onderzoek naar dit onderwerp nodig."
Te laat Momenteel vertrouwen dokters op de meting van het prostaat specifiek antigen (PSA), dat stijgt bij de aanwezigheid van kankerverwekkend weefsel. Maar dan is het vaak al te laat en deze test is ook niet echt accuraat: het signaleert vaak een probleem wanneer er geen is. (ep/hln) |
.
.
20:28  |
|
|
|
|
| Hongerig brein faalt, onbewuste redt de dag |
Ingewikkelde beslissingen moet je niet bewust nemen, maar juist onbewust. Dat concludeert sociaal psycholoog Maarten Bos in het onderzoek waarop hij op 29 oktober promoveerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Een uitgehongerd brein heeft moeite met complexe besluiten, maar ons onbewuste kan hongerig prima functioneren. Hoe ingewikkelder een beslissing lijkt, des te meer moeten we op ons onbewuste vertrouwen. Het onderzoek van Bos is mede mogelijk gemaakt door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Het aloude advies 'slaap er een nachtje over' doet misschien aan als een dooddoener, maar volgens Maarten Bos is dit een van de beste adviezen die je kunt krijgen. Je hoeft niet over elke beslissing een nacht te slapen: even puzzelen, gamen of de krant lezen mag ook. Maar als je een ingewikkelde beslissing moet nemen, kun je er maar beter niet teveel bewust over nadenken. Je moet jezelf echter wel een duidelijk doel voor ogen stellen, anders gaat je onbewuste niet aan de slag.
'Dit is echt ingewikkeld' Bos liet zijn proefpersonen verschillende lastige keuzes maken over huizen, auto's en bijbaantjes. Sommige proefpersonen kregen echter te horen dat dit 'echt een hele moeilijke keuze was', met veel verschillende factoren en grote gevolgen. Wat bleek: hoe meer het probleem werd opgeklopt, hoe slechter de conclusie die de proefpersonen uiteindelijk trokken. Behalve als ze hun onbewuste gebruikten: dan waren hun beslissingen zelfs beter. Het onbewuste presteert beter onder druk.
Afleiden Om te zorgen dat de proefpersonen niet bewust na konden denken over dilemma's leidde Bos hen af met onder andere puzzeltjes. Zo kregen de proefpersonen niet de kans om hun bewuste aandacht op de beslissing te richten. Hierdoor krijgt het onbewuste de kans alle informatie af te wegen.
Honger Dat een nachtje slapen kan helpen, was al bekend, maar veel wetenschappers schreven dit toe aan 'een frisse kijk'. De ontdekkingen van Maarten Bos bewijzen echter dat het echt het onbewuste is dat aan de slag gaat. Bos onderwierp bijvoorbeeld hongerige proefpersonen aan tests. De proefpersonen hadden al drie uur niet gegeten. Dat zorgt voor een lagere bloedsuikerspiegel. Een deel van de proefpersonen kreeg vervolgens frisdrank met een hoop suiker, een ander deel niet. Mét suikerkick presteerden de proefpersonen beter op hun beslistaken dan zonder stijging in de bloedsuikerspiegel. Maar op het moment dat de proefpersonen werden gedwongen om onbewust na te denken, had de bloedsuikerspiegel geen invloed meer op de prestaties. Het onbewuste werkt dus ook nog eens energiezuiniger.
NWO Het onderzoek van Maarten Bos maakt onderdeel uit van het project van Vici-winnaar Ap Dijksterhuis, expert op het gebied van het onbewuste. De Vici-subsidie van NWO is bestemd voor de excellente senioronderzoeker die heeft aangetoond met succes een eigen vernieuwende onderzoekslijn tot ontwikkeling te kunnen brengen en als coach voor jonge onderzoekers te kunnen fungeren.
ru. |
.
.
20:27  |
|
|
|
|
| Oudere met lager inkomen krijgt vaker bezoek van huisarts thuis |
Ongeveer negen op de tien 75-plussers hadden in 2008 minstens eenmaal contact met de eigen huisarts. Het inkomen van de 75-plusser maakt hierbij geen verschil. Ouderen met een lager inkomen worden echter vaker door de huisarts thuis bezocht dan ouderen met een hoger inkomen.
Helft van 75-plussers met laag inkomen ontving huisarts thuis Bij de ouderen met een lager inkomen was het aandeel dat minstens eenmaal thuis door de huisarts werd bezocht aanmerkelijk hoger dan bij de hogere inkomens. Zo heeft de helft van de 75-plussers met een inkomen in de laagste groep minimaal één keer een visite gehad van de huisarts. In de hoogste inkomensgroep gold dit voor een derde van de 75-plussers. Huisartsen bezoeken hun patiënten alleen thuis als zij niet in staat zijn om zelf naar de praktijk te komen. Dit komt voornamelijk voor bij ouderen.
Het aandeel ouderen dat minstens eenmaal een consult had op de huisartspraktijk was in de laagste inkomensgroepen juist iets lager dan bij de hogere groepen.
Ouderen met lager inkomen gemiddeld 10 keer naar de huisarts Mensen uit lagere inkomensgroepen hebben over het algemeen meer gezondheidsproblemen dan mensen met een hoger inkomen. Hoewel het percentage ouderen met minimaal één huisartscontact voor alle inkomensgroepen ongeveer gelijk was, was het gemiddelde aantal contacten wel hoger bij ouderen uit de lagere inkomensgroepen. Zo hadden 75-plussers uit de laagste inkomensgroep gemiddeld 10 keer contact met de huisarts, tegenover 8 bij de hoogste inkomensgroep. Dit komt vooral door meer visites en iets meer telefonische consulten met de huisarts.
Meer huisbezoeken bij vrouwen Vrouwen van 75 jaar of ouder kregen in 2008 gemiddeld bijna driemaal de huisarts op visite. Dat is meer dan bij de mannen van die leeftijd, waar dit gemiddelde op nog geen 2 lag. Ook het aantal telefonische contacten was bij vrouwen hoger dan bij mannen. Zowel bij oudere mannen als vrouwen vonden ongeveer 5 contacten plaats op de praktijk van de huisarts zelf. |
.
.
20:19  |
|
|
|
|
| Circa 400 duizend bloeddonors in Nederland |
Ongeveer 400 duizend Nederlanders zijn bloeddonor. Dat is 4 procent van de 18- tot 70-jarigen, de leeftijdsgroep die donor mag zijn. Hoger opgeleiden zijn vaker donor dan laagopgeleiden. Donorschap komt daarnaast minder voor onder rokers en stevige drinkers en juist vaker onder mensen met matig overgewicht.
Aantal donors de laatste jaren stabiel Het aantal bloeddonors is sinds 2007 vrij stabiel rond de 400 duizend. Vrijwel evenveel mannen als vrouwen zijn bloeddonor. Van de mannelijke donors is de helft ouder dan 50 jaar, bij de vrouwen is dat nauwelijks één op drie. Het hoogste aandeel dat bloed geeft, komt voor bij mannen van 50 tot 60 jaar (7 procent).
Verder is bloed geven ook meer iets voor hoger opgeleiden. Van hen is ruim 5 procent bloeddonor, tegenover nog geen 1,5 procent bij mensen met alleen basisonderwijs.
Minder donors bij rokers en stevige drinkers Iemand die voor het eerst bloed wil doneren, ondergaat eerst een medische keuring. Onder andere door deze selectie gaat een slechte ervaren gezondheid vrijwel niet samen met donorschap. Verder bevinden zich onder rokers minder bloeddonors dan onder niet-rokers en is het aandeel dat bloed geeft onder stevige drinkers lager dan onder matige drinkers. Matig overgewicht gaat relatief vaak samen met donorschap (5 procent). |
.
.
20:17  |
|
|
|
|
| Bestralingscentrum vangt groei kankerpatiënten op |
Het Erasmus MC opende vrijdag 5 november een nieuw radiotherapiecentrum in Dordrecht. Door deze uitbreiding kunnen meer mensen behandeld worden tegen kanker. Dat is nodig, omdat het aantal mensen met kanker stijgt.
Nieuwbouw Het bestralingscentrum in Dordrecht is een uitbreiding van het Erasmus MC-Daniel den Hoed. De dependance is geïntegreerd in de nieuwbouw van het Albert Schweitzerziekenhuis, locatie Dordtwijk.
Prettiger Veel patiënten uit de regio kunnen nu dichter bij huis worden behandeld. Patiënten vinden dat prettig, omdat ze vaak moeten terugkomen voor een bestraling, bij sommige behandelingen wel dertig maal.
Live-verbinding Tegelijkertijd met het nieuwe radiotherapiecentrum in Dordrecht viert het ziekenhuis de opening van het eerste bestralingscentrum in Suriname. Hierdoor kunnen mensen in Suriname voor het eerst bestraald worden in eigen land. Tijdens de opening is er een live-verbinding tussen Suriname en Dordrecht om bij elkaar een kijkje te nemen.
Schrijnend Afdelingshoofd Radiotherapie Peter Levendag heeft zijn jeugd in Suriname doorgebracht en vond de situatie van kankerpatiënten schrijnend. "Een enkeling kan voor een bestraling naar Colombia of Nederland. Het nieuwe bestralingscentrum geeft veel mensen met kanker weer een toekomst", zegt Levendag. Zijn afdeling heeft veel kennis overgedragen door Surinaamse artsen op te leiden tot radiotherapeuten. Deskundigen in Suriname kunnen met vragen terecht bij het Erasmus MC-Daniel den Hoed. |
.
.
20:16  |
|
|
|
|
| Darmpatiënt beter af als hij meebeslist |
De ruim 55.000 patiënten in Nederland met een chronische darmontsteking hebben hun aandoening beter onder controle als zij meebeslissen over hun behandeling. Daarom is het noodzakelijk dat zij voldoende kennis hebben over de ziekte, de behandeling en de risico’s ervan.
Deze groep patiënten blijkt echter onvoldoende geïnformeerd te zijn. Judith Baars, onderzoeker van het Erasmus MC, concludeert dit in haar onderzoek waarop zij vrijdag 5 november promoveert.
Onvoorspelbaar De chronische darmontstekingen waarop Baars zich in haar onderzoek heeft gericht, zijn de ziekte van Crohn en Colitis Ulcerosa. Kenmerkend voor deze aandoeningen zijn de telkens onvoorspelbare opvlammingen van de ziekte, die erg pijnlijk zijn.
Actief Om de terugkerende opvlammingen (inflammatie) en het ontwikkelen van complicaties te voorkomen, is het belangrijk dat patiënten trouw hun medicijnen innemen. De therapietrouw wordt veel groter als patiënten actief worden betrokken in de besluitvorming over de ziekte en de behandeling ervan. In het onderzoek van Baars geven patiënten aan een actieve rol te willen hebben.
Risico's Baars: “Uit mijn onderzoek blijkt dat patiënten onvoldoende op de hoogte zijn van hun ziekte, de behandeling en de daarbij horende risico’s. De meerderheid wist niet waar de ontsteking zich in hun lichaam bevond. Daarnaast bleken patiënten de voordelen en risico’s van bepaalde medicijnen verkeerd in te schatten.” |
.
.
20:16  |
|
|
|
| vrijdag 5 november 2010
|
| Van patiënten wordt te veel verwacht |
Patiënten en hun familieleden moeten meedenken en actief keuzes maken, maar inspraak heeft ook negatieve effecten. Bovendien dreigt door patiëntenparticipatie ongelijkheid in de gezondheidszorg, stelt onderzoeker dr. Hester van de Bovenkamp.
Keuzes maken Patiënten en hun familieleden moeten goed geïnformeerd keuzes maken voor een zorgverzekeraar, arts en hun eigen behandeling. Via patiëntenorganisaties kunnen ze meepraten over medische richtlijnen, onderzoeksagenda's, inkoopbeleid van verzekeraars en overheidsbeleid.
Negatieve effecten Beleidsmakers hebben hoge verwachtingen van deze inspraak. Die zou leiden tot betere zorg en besluitvorming. Maar actief burgerschap kent ook negatieve effecten, stelt Van de Bovenkamp in haar proefschrift 'De beperkte macht van patiënten'. Zo kunnen patiënten en hun organisaties worden gebruikt of misbruikt door machtige partijen, zoals de farmaceutische industrie.
Familieleden Niet iedereen kan participeren, zegt Van de Bovenkamp. Patiënten met een ernstige psychische aandoening bijvoorbeeld hebben moeite hun belangen te behartigen. Familieleden kunnen dit niet voor hen doen. Zorgverleners houden hen buiten de deur door naar de autonomie van de patiënt te verwijzen. Dit heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van zorg. Daarnaast schaadt de afwijzing de familieleden: hun belang wordt niet erkend.
Patiëntenorganisaties Ook op collectief niveau doen zich moeilijkheden voor. Patiëntenorganisaties hebben moeite deel te nemen in formele besluitvorming. Participatie vereist kennis die vrijwilligers niet hebben. De ervaringen die zij wel hebben, sluiten niet goed aan bij de wetenschappelijke kennis.
Ongelijkheid Als sommige patiënten wel en andere niet in staat zijn om invloed uit te oefenen, kan dat leiden tot ongelijkheid. Dit probleem speelt ook bij patiëntenorganisaties. Grote organisaties met een achterban die niet zo erg ziek is, kunnen makkelijker meedoen dan kleine organisaties met een ernstig zieke achterban. Patiëntenparticipatie moet geen ideologisch dogma worden, vindt ze: "Participatie is niet altijd wenselijk en niet altijd goed."
Van de Bovenkamp promoveerde 4 november aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. |
.
.
12:54  |
|
|
|
| donderdag 4 november 2010
|
| Topman Menzis: 'Zorgpremie naar loon' |
Huishoudens met een bovenmodaal inkomen moeten meer zorgpremie gaan betalen. Dit voorstel komt van topman Van Boxtel van zorgverzekeraar Menzis, meldt Telegraaf.
Volgens Van Boxtel is deze drastische maatregel noodzakelijk om de almaar stijgende zorgkosten betaalbaar te houden.
Lage inkomens getroffen 'De lagere inkomens worden nu onevenredig hard getroffen door de stijgende zorgkosten. Wie nu 10.000 euro bruto per maand verdient, betaalt slechts 70 euro meer voor zijn zorgverzekering dan wie moet rondkomen van 2300 euro.'
artsennet |
.
.
15:04  |
|
|
|
| dinsdag 2 november 2010
|
| Nationale Meldweek Patiëntveiligheid: 100 meldingen binnen |
Vorige week, van 27 september tot en met 3 oktober 2010, was de eerste Nationale Meldweek Patiëntveiligheid.
De meldweek heeft tot nu toe circa 100 meldingen opgeleverd uit bijna alle eerstelijns beroepsgroepen die hieraan deelnamen. Bij circa 5% van de meldingen was sprake van potentieel ernstige gevolgen voor de patiënt. Tweederde van de melders geven aan dat zij maatregelen genomen hebben om hun gemelde incident in de toekomst te voorkomen.
Hulpverleners uit de eerste lijn, zoals huisartsen, verpleegkundigen, diëtisten, ergotherapeuten, tandartsen en fysiotherapeuten willen zo veel mogelijk vermijdbare schade voorkomen. Toch gaat het in de praktijk wel eens (bijna) mis. Het melden van voorvallen is belangrijk om te zien waar verbetering mogelijk is. De Meldweek is voor zorgprofessionals een goede gelegenheid om eens extra kritisch te kijken naar wat er gedurende die week is misgegaan of had kunnen misgaan.
Mocht u als hulpverlener in de eerste lijn nog een incident meegemaakt hebben, waarvan ook andere hulpverleners kunnen leren, kunt u dat deze week nog melden via www.meldweek2010.nl (hetonderzoek) |
.
.
15:23  |
|
|
|
|
| Versoepeling geschiktheidseisen na TIA’s en beroertes |
Personen die getroffen zijn door een TIA (transcient ischemic attack) of beroertes die niet het gevolg zijn van een bloeding mogen eerder een voertuig rijden. Minister Eurlings van Verkeer en Waterstaat heeft hiertoe besloten naar aanleiding van een advies van de Gezondheidsraad over eisen van rijgeschiktheid. De gewijzigde regeling is vandaag in de Staatscourant gepubliceerd.
Onder de voorwaarde dat een neuroloog verklaart dat er geen functiestoornissen zijn die van invloed zijn op de rijgeschiktheid, wordt de termijn van rijongeschiktheid verkort voor motor- en autorijbewijzen van zes maanden naar twee weken en voor vrachtauto- en busrijbewijzen van vijf jaar naar vier weken. Dit betekent dat zeer veel beroepschauffeurs weer aan het werk kunnen of hun baan kunnen behouden.
Deze eisen kunnen worden versoepeld omdat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de kans op het weer optreden van een TIA of beroerte na de eerste aanval laag is. De risico op een recidive kan worden verlaagd door zeer snelle analyse en een goede behandeling. Vanwege het verhoogd risico op herhaling in de eerste periode na een TIA of beroerte is men ongeschikt. Daarna is niet het recidiverisico de bepalende factor, maar of er sprake is van lichamelijke of geestelijke beperking met betrekking tot rijgeschiktheid.
Omdat het CBR de verklaring van de neuroloog moet beoordelen, is er na verloop van de twee, respectievelijk vier weken, nog enige tijd nodig voordat de bestuurder weer rijgeschikt is verklaard. Zie voor meer informatie ook www.cbr.nl (hetonderzoek) |
.
.
15:16  |
|
|
|
|
|
| |