Bij een mogelijke wiegendood wordt steeds minder vaak onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak. Dat zegt Henk Wierenga van de Landelijke Werkgroep Wiegendood (LWW) in Medisch Contact.
Volgens LWW-voorzitter en kinderarts Wierenga zijn er het afgelopen jaar zeventien kinderen gemeld die mogelijk zijn overleden aan wiegendood. Van twee gevallen zijn geen nadere gegevens bekend. In de vijftien overige gevallen heeft er vijf keer geen nader onderzoek naar de doodsoorzaak plaatsgevonden.
Een betreurenswaardige zaak, vindt Wierenga: ‘Eén op de drie is dus niet onderzocht. En dat is echt heel slecht. Om het belang duidelijk te maken: bij twee kinderen die wél onderzocht werden is een doodsoorzaak vastgesteld: één keer een ernstige infectie en één keer een aangeboren hartafwijking.’ Volgens Wierenga is er sprake van een trendbreuk. ‘In voorgaande jaren werden alle gemelde gevallen van wiegendood onderzocht.’
Als reden noemt Wierenga de onduidelijkheid over het Nader Onderzoek Doodsoorzaak (NODO). Volgens deze procedure moeten artsen bij het overlijden van een minderjarige altijd een lijkschouwer raadplegen. Als er onduidelijkheid is over de doodsoorzaak, volgt een onderzoek door een deskundig NODO-team. De meldplicht is vorig jaar januari ingevoerd, maar de NODO-teams zijn nog steeds niet actief. Kinderartsen zijn daardoor in verwarring over wat ze moeten melden en laten na om zelf het protocol Wiegendood uit te voeren.
Op het ministerie van Justitie ligt een plan voor de invoering van de volledige NODO-procedure, maar volgens staatssecretaris Teeven (VVD) is dat te duur. Hij zoekt nu naar alternatieven. In Medisch Contact geven betrokken artsen en politici hun mening over deze kwestie. (Artsennet)Labels: wiegendood |