|
|
| Gezondheid |
BMR |
DKTP |
DTP |
Hepatitis |
HPV |
Meningitis |
TBC |
Pneumokokken |
Polio |
Schmallenbergvirus |
____________________________________________________
| zondag 30 oktober 2011
|
| Ook incidentele blowers worden eerder psychotisch |
Jongeren die blowen lopen een twee keer zo groot risico op psychotische symptomen, zoals paranoia en hallucinaties.
Naar het effect van cannabis wordt veel onderzoek gedaan. Zo blijkt cannabis een effectief middel tegen pijn, kun je beter niet blowen als je XTC hebt geslikt, en gaan vrouwtjesratten zich mannelijker gedragen nadat ze zijn blootgesteld aan dit genotsmiddel.
En uit een grootschalig internationaal onderzoek naar het gebruik van deze softdrugs blijkt nu (wederom?) dat cannabisgebruik kan leiden tot psychoses. De cijfers liegen er niet om.
Gebruik van cannabis kan leiden tot hallucinaties
Een team van internationale onderzoekers volgden bijna 2000 Duitse jongeren gedurende tien jaar. Jongeren die op de middelbare school cannabis consumeerden hadden op hun 25ste een twee keer zo grote kans op het ontwikkelen van psychotische symptomen. En dit waren niet alleen de verstokte blowers, want degenen die tussen hun 18de en 21ste slechts vijf keer een blowtje hadden gerookt werden al onder de cannabis gebruikers geschaard. ‘Deze follow-up studie laat zien dat incidenteel blowen het risico op psychotische ervaringen al kan vergroten,’ concludeert psycholoog Rebecca Kuepper.
Volgens de onderzoekers is THC waarschijnlijk de boosdoener. Dit psychoactieve stofje zou het brein vatbaar maken voor psychose. Uit het onderzoek bleek verder dat psychotische episodes volgden op gebruik van cannabis, en niet andersom. Daarmee verwerpen de onderzoekers het argument dat een jointje zelfmedicatie zou zijn voor mensen die vatbaar zijn voor psychose.
Steeds meer jongeren raken verslaafd aan cannabis; alle voorlichtingscampagnes ten spijt. Zal dit onderzoeksresultaat daar verandering in brengen?Labels: Cannabis |
.
.
17:16  |
|
|
|
|
| Cannabis heeft negatief effect op vruchtbaarheid sperma |
Een studie over reproductieve fysiologie bij de Universiteit van Buffels heeft aangetoond dat het frequente marihuanagebruik de veroorzaakte hoeveelheid rudimentaire vloeistof vermindert, spermatellingen, vermindert en abnormaal gedrag in sperma veroorzaakt. Deze kwesties kunnen een significant effect op vruchtbaarheid hebben.
Suf Gedrag
De studie was eerste van zijn soort en legde op de manieren de nadruk waarin de marihuana het het zwemmen gedrag van sperma zoals die in vergelijking met dat van het sperma van vruchtbare mensen wordt gezien beïnvloedt. Het actieve ingrediënt in marihuana is tetrahydrocannabinol, een psychoactief chemisch product. De resultaten van deze studie werden vrijgegeven in Oktober 2003 bij de Amerikaanse Maatschappij van Reproductieve Geneeskunde in de jaarlijkse vergadering van San Antonio.
De hoofdauteur van de studie, Lani J. Burkman, Doctoraat, hulpprofessor van gynaecologie/verloskunde en urologie en hoofd van de Sectie over Andrologie in de School UB van Geneeskunde en Biomedische wetenschappen, gecommentarieerde dat de bodemlijn van de studie toont het actieve ingrediënt in marihuana de functie van sperma op een ongunstige manier beïnvloedt. Het team van Burkman begrijpt niet het nauwkeurige mechanisme dat marihuana ertoe brengt om sperma te veroorzaken om defect te zijn, maar stelt een hypothese op dat THC de timing van spermafunctie met een dreun uit zet of mechanismen mijdt die als een soort natuurlijke remming dienen. In ieder geval, stelt Burkman voor dat het sperma van marihuanarokers, te vroeg te snel zwemt. Een gelijkaardig patroon is gezien in andere studies met betrekking tot onvruchtbaarheid, nota nam van Burkman.
De Onderzoekers verzamelden rudimentaire vloeibare steekproeven van 22 marihuanarokers en voerden een verscheidenheid van tests aangaande de steekproeven uit. De deelnemers meldden twee keer per dag het gebruiken van de drug over een periode van 5.1 jaar. Steekproeven van de controle werden verstrekt door 59 vruchtbare mannen die geschikt waren gebleken om een zwangerschap te veroorzaken. De mensen onthielden zich van seksuele activiteit twee dagen voorafgaand aan de laboratoriumanalyse.
De steekproeven werden getest voor volume, spermatelling per eenheid van sperma, totale spermatelling, percentage van beweeglijk sperma, snelheid, en vorm. Het sperma werd ook beoordeeld voor hyperactivation, een type van het energieke zwemmen die voorkomt aangezien het sperma dichter aan het ei komt.
het Laidback Zwemmen
De Resultaten bewezen dat het volume van sperma en het aantal spermacellen voor de marihuanarokers minder is dan die van de controlegroep.Er waren belangrijke verschillen in snelheid en hyperactivation waren. " De timing was al verkeerd. Dit sperma zal doorsmelting ervaren alvorens zij het ei bereiken en niet geschikt voor bevruchting zijn, zegt onderzoeker Burkman.
Burkman verklaarde dat mensen die het meest blowen de kans lopen dat dit fenomenen de vruchtbaarheid negatief beïnvloed. THC in de marihuana kon het verschil maken tussen het vader worden van een kind en een onvruchtbaarheid.
(pregnancyhealthy)Labels: Cannabis |
.
.
17:06  |
|
|
|
|
| Mogelijk verband tussen roken hasj en optreden longschade |
Een opvallend groot deel van de jonge mensen die in het ziekenhuis wordt opgenomen met een ‘primaire spontane klaplong’ (PSP) meldt dat ze naast tabak ook cannabis gebruiken. Op scans van hun longen zijn zeer vaak holten te zien die normaal vooral bij (oudere) COPD-patiënten voorkomen.
Dat melden onderzoekers van Atrium Medisch Centrum Parkstad vorige week (28 september 2011) op een groot internationaal congres over longziekten in de RAI in Amsterdam.
Volgens onderzoekers Lizza Hendriks en collega’s moeten de resultaten worden gezien als een extra aanwijzing voor het optreden van longschade door het roken van cannabis. “De aanwijzing is voor ons reden om de komende jaren jonge patiënten met een klaplong en hun (mogelijk) gebruik van cannabis systematisch en grondig in kaart te gaan brengen,” aldus Hendriks.
Een klaplong (‘pneumothorax’) ontstaat als door een ‘lek’ lucht tussen de longen en de longvliezen komt. De longen kunnen zich dan niet meer volledig uitvouwen, met als gevolg hevige pijn en ademhalingsproblemen.
Klaplongpatiënten in Atrium Medisch Centrum Parkstad wordt vrijwel altijd gevraagd of ze tabak en/of cannabis gebruiken. Omdat cannabisgebruik regelmatig leek voor te komen, besloten de onderzoekers de dossiers van de laatste twee jaar systematisch te analyseren.Van de 53 patiënten jonger dan 50 jaar die zich van 2008 tot 2010 met een PSP bij het ziekenhuis meldden, zeiden 26 (49%) naast tabak ook cannabis te gebruiken. Dat percentage ligt hoger dan het landelijk gemiddelde. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek rookt bijvoorbeeld rond de 10 procent van de 15- tot 25-jarigen regelmatig cannabis.
Op CT-scans van de cannabisgebruikende patiënten waren bijna altijd ‘bullae’ te zien, holten in het longweefsel die zijn ontstaan door het samengaan van meerdere longblaasjes. Zulke longschade is gebruikelijk bij oudere patiënten met COPD. Bij tabaksrokers die geen cannabisgebruik meldden, lag het percentage een stuk lager.
Hoe een mogelijk verband zou ontstaan is onbekend, maar te denken zou bijvoorbeeld zijn aan een gewoonte om bij het roken van hasj dieper te inhaleren dan bij het roken van alleen tabak, en de geïnhaleerde rook enige tijd onder druk in de longen te houden.
“Ons onderzoek is geen bewijs voor een oorzakelijk verband tussen het gebruik van cannabis en het optreden van longschade,” zegt Lizza Hendriks. “Het laat wel zien dat een disproportioneel gedeelte van onze jonge klaplong-patiënten naast tabak ook cannabis rookte. Dat is reden genoeg om deze groep patiënten en de precieze aard van hun cannabisgebruik de komende jaren systematisch te gaan volgen.”
[Atrium MC]Labels: Cannabis |
.
.
16:38  |
|
|
|
|
| Cannabis en de 'Pavlov-reactie' |
Het woord 'hennep' of 'cannabis', roept bij heel veel mensen direct negatieve gedachten op.
Men denkt hierbij geheel automatisch aan jointjes en/of criminaliteit, zónder zich bewust te zijn van al de andere aspecten van cannabis, en reageert negatief. Dit is ook eigenlijk geen wonder, want een mens reageert nu eenmaal op basis van wat hij weet of dénkt te weten. Deze manier van automatisch (en voorspelbaar) reageren noemt men een 'Pavlov-reactie'.
Blowen!
Bij iedere discussie over cannabis, al is de discussie nog zo serieus, zijn er altijd wel mensen die een Pavlov-reactie vertonen. Men kán ook simpelweg niet anders reageren. Dat komt omdat men zich niet realiseert, slechts te reageren op basis van het voorgeprogrammeerde -en incomplete- beeld dat men van cannabis heeft. Dankzij het wereldwijde verbod (sinds 1937) op het telen van hennep en het gebruik van de plant, denken heel veel mensen precies te weten waar al die aandacht voor cannabis toe dient: Om ongeremd te kunnen blowen!
Nogmaals, géén wonder! De demonisering van hennep, was (en is) er dan ook helemaal op gericht om het publiek dat idee te geven. Men heeft de mensheid gewoon willen aanpraten dat cannabis maar voor één ding geschikt was; om het als softdrug op te roken! Het werd zeer goed doordacht allemaal. Men wilde bereiken dat iedereen het prima zou vinden dat cannabis verboden zou worden. Maak voorstanders monddood, was de strategie, en verspreid vervolgens zoveel mogelijk negatieve berichtgeving over cannabis.
Milieuverontreiniging
Het werd een bijzonder goed geslaagde campagne. Het verbod kwam tot stand zonder al te veel tegenwind en zelfs tot voor kort had het publiek vrijwel geen weet meer van de vele toepassingsmogelijkheden van hennep. Over de bijzondere geneeskracht van cannabis werd zelfs helemaal niet meer gesproken, hoewel het vele duizenden jaren (tot het verbod inging) succesvol als geneesmiddel werd gebruikt. Tot het verbod van kracht werd, had de mensheid vrijwel nog nooit van milieuverontreiniging gehóórd. Maar dat werd razendsnel anders, toen de petrochemische industrie de wereld ging voorzien van allerlei aardolieproducten. Kunststoffen zoals; nylon, plastic in de meest uiteenlopende vormen en toepassingsmogelijkheden én natuurlijk de uiterst winstgevende brandstof voor voertuigen: Benzine!
Het 'grote verdienen'
Op al dit soort producten kon men patenten aanvragen én krijgen. Dat was natuurlijk geweldig... kássa! Het 'grote verdienen' was begonnen, er werden letterlijk miljarden omgezet. De farmaceutische industrie profiteerde ook gigantisch van het cannabisverbod. Want op chemisch vervaardigde medicijnen kon men immers patent aanvragen. Op planten die gewoon in de natuur groeien was (en is) dat niet mogelijk.
De farmaceuten zijn ondertussen wel bezig met cannabis. Het is immers ook door diverse wetenschappers ontdekt dat cannabis ongekende geneeskrachtige kwaliteiten heeft. Men heeft al chemische varianten gemaakt van verschillende stoffen die in cannabis zitten. In de praktijk blijken die echter niet hetzelfde te werken als de natuurlijke, complete (en zeer gecompliceerde) samenstelling van cannabis zelf.
Helaas...
Ondertussen is cannabis nog steeds officieel verboden. Dus blijven er (helaas) ook nog steeds veel mensen in een Pavlov-reactie schieten, bij het horen van het woord 'hennep' of 'cannabis'. Veel mensen zullen deze aangeleerde 'vreesconditionering', door gebrek aan voldoende en eerlijke feitenkennis, waarschijnlijk niet makkelijk kwijtraken.
Dit zou echter heel snel kunnen veranderen, wanneer de hennepplant zijn rechtmatige plaats in de natuur en de samenleving terugkrijgt. Want als mensen zelf zien (en ervaren) dat het milieu en onze gezondheid enorm vooruit gaan door de her-introducering van hennep, zal het snel afgelopen zijn met al die uiterst voorspelbare Pavlov-reacties.
(bangersisters)Labels: Cannabis |
.
.
16:34  |
|
|
|
|
| Gevoelig voor depressie? Blow dan niet |
Jongeren die genetisch kwetsbaar zijn voor depressie moeten extra voorzichtig zijn met cannabis. Blowen verhoogt namelijk hun kans om depressief te worden, blijkt uit onderzoek van Roy Otten van de Radboud Universiteit. Tweederde van de bevolking heeft een variant van het gen 5-HTT, dat gevoelig maakt voor depressie.
30 procent van de 16-jarigen heeft ooit cannabis (de verzamelnaam voor hasj, marihuana en wiet) gebruikt; 12 procent heeft afgelopen maand nog geblowd. Veelvuldig cannabisgebruik, dat is bekend, versterkt de kans om schizofrenie en psychose te ontwikkelen.
Ook bestond al langer het idee dat cannabisgebruik leidt tot depressie, maar het bewijs hiervoor was tot nu toe niet consistent. Onderzoeker Roy Otten, die zijn resultaten deze week publiceert in het tijdschrift Addiction Biology, vermoedt dat dat komt omdat zijn voorgangers niet keken naar individuele genetische kwetsbaarheid voor depressie.
Genvariant
Otten verzamelde vijf jaar lang gegevens van 428 gezinnen met twee adolescente kinderen. Jaarlijks beantwoordden de kinderen vragen over onder meer gedrag en depressieve symptomen. Ook werd de variant van het serotoninegen 5-HTT bepaald. Bij de jongeren met de veelvoorkomende variant van dat gen leidde cannabisgebruik tot een toename van depressieve symptomen.
Zelfmedicatie
‘Het effect blijft overeind, zelfs wanneer je rekening houdt met andere variabelen die het effect zouden kunnen veroorzaken, zoals rookgedrag, alcoholgebruik, opvoeding, persoonlijkheid en socio-economische status', aldus Otten.
'Je zou nog kunnen denken dat jongeren met de aanleg voor depressie cannabis gebruiken als een vorm van zelfmedicatie, maar het onmiddellijke effect van cannabis mag dan prettig zijn, op langere termijn slaat het om en zien we dat cannabisgebruik zorgt voor een toename van depressieve symptomen bij jongeren met dit specifieke genotype.'/ Anja van Kessel, Iris Roggema
(RU)Labels: Cannabis |
.
.
16:30  |
|
|
|
|
| Blowen versterkt risico op depressie bij genetische kwetsbaarheid |
Jongeren die genetisch kwetsbaar zijn voor depressie zouden extra voorzichtig moeten zijn met het gebruik van cannabis. Blowen geeft bij hen namelijk een verhoogd risico om daadwerkelijk depressieve symptomen te ontwikkelen. Dit blijkt uit onderzoek van Roy Otten van het Behavioural Science Institute van de Radboud Universiteit Nijmegen dat zojuist is verschenen in de online versie van het wetenschappelijke tijdschrift Addiction Biology. Tweederde van de bevolking heeft de genvariant die gevoelig maakt voor depressie.
Cannabisgebruik onder jongeren komt veel voor. Onder 16-jarigen geeft bijna 30 procent aan ooit cannabis gebruikt te hebben en 12 procent geeft aan de afgelopen maand nog geblowd te hebben. Dit zorgt niet alleen voor slechte schoolprestaties, maar het staat ook vast dat veelvuldig cannabisgebruik de kans versterkt om schizofrenie en psychose te ontwikkelen. Ook is er het idee dat hasj en weed roken leidt tot depressie. Hiervoor was het bewijs tot nu toe echter niet consistent. Otten vermoedt dat dat voor een deel komt omdat zijn voorgangers niet keken naar individuele genetische kwetsbaarheid voor depressie.
Langjarige studie
Vijf jaar lang werden gegevens verzameld van 428 gezinnen en hun twee adolescente kinderen. Jaarlijks beantwoordden de kinderen vragen over onder meer gedrag en depressieve symptomen. Ook de variant van het serotoninegen (5-HTT) die verantwoordelijk is voor de verhoogde kwetsbaarheid om depressie te ontwikkelen werd bepaald. Bij de jongeren met een speciale variant van dat gen leidde cannabisgebruik tot een toename van depressieve symptomen.
Robuust effect
‘Het effect is robuust, het blijft overeind zelfs wanneer je rekening houdt met een reeks andere variabelen die het effect zouden kunnen veroorzaken, zoals rookgedrag, alcoholgebruik, opvoeding, persoonlijkheid en socio-economische status. Je zou nog kunnen denken dat jongeren met de aanleg voor depressie eerder beginnen met cannabis als een vorm van zelfmedicatie, dus dat de aanwezigheid van depressieve symptomen de oorzaak is van cannabis gebruik - maar zeker op de lange termijn blijkt dat niet zo te zijn. Het onmiddellijke effect van cannabis mag weliswaar prettig zijn en een gevoel van euforie veroorzaken, op lange termijn zien we dat cannabisgebruik zorgt voor een toename van depressieve symptomen bij jongeren met dit specifieke genotype.'
Het is belangrijk om te weten wat de negatieve effecten kunnen zijn van cannabisgebruik. Cannabis mag weliswaar een onmiddellijk euforisch gevoel veroorzaken, voor een grote groep kan cannabisgebruik op de langere termijn zorgen voor een toename van depressieve symptomen.
(RU)Labels: Cannabis, Gezondheid algemeen |
.
.
16:11  |
|
|
|
| donderdag 27 oktober 2011
|
| Recht van inzage bijsluiter voorafgaande aan vaccinatie |
Het RIVM verklaart :
"Alleen als ouders om een bijsluiter vragen kunnen zij die op het consultatiebureau krijgen. Er wordt NIET standaard een bijsluiter NA een vaccinatie aan ouders gegeven. In de folder over de vaccinatie wordt dit toegelicht."
Standaardtekst bijsluiter vaccins :
"Lees de hele bijsluiter zorgvuldig door voordat u/uw kind dit vaccin krijgt toegediend".
De Wet op de Geneeskundige BehandelingsOvereenkomst (WGBO), bepaalt:
Informatieplicht
"Uitgangspunt is dat de hulpverlener de patiënt die informatie geeft die de patiënt nodig heeft om zelf op een verantwoorde manier beslissingen te kunnen nemen over zijn gezondheid. Dit betekent dat de hulpverlener de patiënt duidelijk moet informeren over de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling, de risico's en de eventuele alternatieven."Labels: Bijwerkingen vaccinatie, vaccinatie |
.
.
13:55  |
|
|
|
|
| Wiegendoodrisico Bij start kinderopvang |
Elk jaar sterven er in Vlaanderen ongeveer 20 kinderen aan wiegendood. Vaak overlijden de baby's in de kinderopvang, en vooral tijdens de eerste dagen van hun verblijf. De vaststelling wordt bevestigd door studies in onze buurlanden. Uit een Nederlands onderzoek in 2008 bleek dat kinderen zelfs tot negen keer meer kans hebben op wiegendood in de kinderopvang.
Ouders en ook opvangouders zijn niet genoeg op de hoogte van de risico's', stelt Leen Du Bois, de woordvoerster van Kind & Gezin. ‘Uit de praktijk blijkt dat er voor het plotse overlijden meestal een verandering plaatsvindt in het leven van de baby. De eerste keer naar de crèche is een grote verandering. Het is een nieuwe omgeving.
Kind & Gezin raadt al sinds 1994 aan om zuigelingen op de rug te laten slapen, niet te roken in hun buurt en te zorgen voor een koele, goed verluchte slaapkamer. Mede dankzij de aanbevelingen is het aantal sterfgevallen gedaald van 104 in 1994 naar 18 in 2008. Het slaappatroon van het kind wordt beïnvloed.'Labels: wiegendood |
.
.
13:50  |
|
|
|
|
| ESWI: 'Twijfelen aan griepvaccin gevaarlijk' |
Het is gevaarlijk dat er getwijfeld wordt aan het nut van de griepprik, zowel vanuit wetenschappelijk als vanuit ethisch oogpunt. Dat vindt de Europese Wetenschappelijke Werkgroep Influenza (ESWI).
Volgens de werkgroep wordt de discussie op basis van het verkeerde onderzoek gevoerd: het effectiviteitsonderzoek, waarbij wordt gekeken naar bescherming tegen griepachtige ziekten. Het vaccin biedt echter alleen bescherming tegen circulerende influenzavirussen.
Effectiviteitsonderzoek
'Gevolg is dat effectiviteitsonderzoeken van weinig waarde zijn als het gaat over de voordelen van griepvaccinatie', stelt de ESWI in De Volkskrant. Eerder onderzoek zou het nut van de vaccinatie wel degelijk aangetoond hebben.
(Artsennet)Labels: vaccinatie |
.
.
13:37  |
|
|
|
|
| ‘Nut griepprik niet aangetoond’ |
Er is geen wetenschappelijk bewijs dat de jaarlijkse griepvaccinatie bij ouderen en risicopatiënten effectief is, zo stelt het Geneesmiddelenbulletin dat deze week samen met Medisch Contact verschijnt. Dat komt doordat veel onderzoeken naar de werkzaamheid van influenzavaccinatie methodologisch slecht zijn en nauwelijks resultaat laten zien.
Na een uitgebreide analyse van beschikbaar onderzoek concludeert het bulletin dat het effect van vaccinatie op onder andere mortaliteit bij ouderen boven de 65 niet is aangetoond en dat daarom geen conclusies kunnen worden getrokken over de effectiviteit van vaccinatie. Bij gezonde volwassenen heeft vaccinatie slechts een matig effect op het verminderen van influenzasymptomen en het verlies van werkdagen en helemaal geen effect op de overdracht van influenza of het optreden van complicaties zoals pneumonie. Bovendien is het niet aangetoond dat vaccinatie van gezondheidszorgpersoneel influenza voorkomt bij bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen.
Wel leidt vaccinatie tot reductie van het aantal exacerbaties bij COPD-patiënten. Ook patiënten met hematologische maligniteiten hebben baat bij vaccinatie. Bij hen nam het aantal infecties van de lagere luchtwegen en het aantal ziekenhuisopnamen af.
Hans van der Linde, huisarts met sinds jaren twijfels over het nut van griepvaccinatie, is ontstemd over het gebrek aan bewijs. ‘Voor werkzaamheid en effectiviteit wordt in de preventieve geneeskunde de hoogste graad van bewijsvoering geëist. Deze gouden regel wordt bij griepvaccinaties al tientallen jaren met voeten getreden.’
Het bulletin noemt verder als opvallende bevinding dat uit cohortonderzoeken blijkt dat het vaccin de mortaliteit onder zelfstandig levende ouderen met circa 50 procent vermindert. Uit ander onderzoek blijkt echter dat het aantal influenzagerelateerde sterfgevallen slechts 5 procent bedraagt; getallen die ruim voldoende aanleiding geven tot controverse.
Van der Linde oordeelt hard over het gebrek aan bewijs. ‘Veel onderzoeken tonen geen enkel effect en laten alleen vanwege onvoldoende kwaliteit nog niet het oordeel “bewezen onwerkzaam” toe’, aldus Van der Linde. ‘Publicaties van gezaghebbende bronnen in het buitenland kwamen eerder tot hetzelfde oordeel. Dat is mede de aanleiding geweest voor deze evaluatie in het Geneesmiddelenbulletin. De invoering van griepvaccinatie berustte destijds niet op wetenschappelijke onderbouwing, maar op commerciële beïnvloeding.’
De meest recente vaccinatieadviezen van de Gezondheidsraad dateren uit 2007 en zijn dus gebaseerd op onderzoek dat vóór deze datum is gepubliceerd. Het Geneesmiddelenbulletin pleit voor het aantonen van werkzaamheid en veiligheid met meer gerandomiseerd onderzoek of meta-analysen.
(Artsennet)Labels: Griep, Vaccin, vaccinatie |
.
.
13:35  |
|
|
|
|
| Overal in Nederland meer resistente schimmels |
Patiënten in Nederlandse ziekenhuizen zijn steeds vaker besmet met een resistente stam van de schimmel Aspergillus fumigatus, zo blijkt uit onderzoek van het UMC St Radboud. Voor 2000 werden nog geen resistente stammen in patiënten gevonden, maar inmiddels is al ongeveer vijf procent van de schimmels resistent tegen azolen, het gebruikelijke medicijn tegen de schimmel. De resistentie lijkt mede het gevolg van het gebruik van azolen in de land- en tuinbouw. De nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit heeft de ministers van EL&I, VROM en VWS geadviseerd tot nader onderzoek.
Jaarlijks krijgen in Nederland 200 tot 400 patiënten een ernstige longinfectie met de schimmel Aspergillus fumigatus. Microbiologen van het UMC St Radboud zagen vanaf 2000 voor het eerst resistente schimmels in deze patiëntengroep. Die resistentie lijkt niet door de behandeling van de patiënten te ontstaan, maar door een massaal gebruik van schimmelbestrijdingsmiddelen (azolen) in de land- en tuinbouw en in huishoudelijke producten zoals zeep, desinfecteermiddelen en verf.
Verdere verspreiding
Paul Verweij, arts-microbioloog in het UMC St Radboud: 'In de Nederlandse gezondheidszorg gebruiken we ongeveer 400 kilo azolen per jaar, in de Nederlandse land- en tuinbouw gaat het naar schatting om 130.000 kilo. Ook het mechanisme van de resistentie, waarvoor meerdere veranderingen in de schimmel nodig zijn, wijst op een niet-medische oorzaak. Bovendien vinden we de resistente schimmels ook in het milieu, bijvoorbeeld in compost.'
Na een eerste artikel over het probleem in the Lancet Infectious Diseases (dec 2009) en een nieuwsbericht in Science geven Verweij en collega's nu in Emerging Infectious Diseases een overzicht van de verspreiding van de resistente schimmel in Nederlandse academische ziekenhuizen. Verweij: "In alle UMC's zijn resistente Aspergillusschimmels aangetroffen met uitschieters naar boven - 9,5 procent - en naar beneden - 0,8 procent. Gemiddeld is ongeveer 5 procent resistent. Bij de gevoelige stammen overlijdt ongeveer 40 procent van de patiënten, bij de resistente stammen verdubbelt die kans tot bijna negentig procent. In Nederland sterft nu bijna een patiënt per week aan een resistente Aspergillus fumigatus infectie."
Referentielaboratorium
Niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen waaronder Denemarken, worden resistente Aspergillusschimmels gevonden. Verweij: 'Een recent onderzoek in Denemarken doet vrezen dat de resistentie zich verder aan het verspreiden is. Internationaal onderzoek om het probleem goed in kaart te brengen is noodzakelijk, zodat daarna snel gepaste maatregelen kunnen worden genomen. Resistentie stopt niet bij de landsgrenzen.'
Inmiddels heeft het ministerie van VWS besloten om de resistentieontwikkeling te monitoren. Daarvoor is in het UMC St Radboud een referentielaboratorium in het leven geroepen, dat opereert in nauwe samenwerking met het centrum infectieziektebestrijding van het RIVM.
(RU)Labels: Gezondheid algemeen |
.
.
13:26  |
|
|
|
| donderdag 13 oktober 2011
|
| Parkinsonisme bij helft ouderen met haloperidol |
Parkinsonisme treedt bij 46 procent van de ouderen op die het antipsychoticum haloperidol gebruikt. Dat blijkt uit onderzoek van Wilma Knol onder 150 ouderen met een gemiddelde leeftijd van 83 jaar.
De promovenda bestudeerde de relatie tussen verschillende genetische polymorfismen en door antipsychotica geïnduceerd parkinsonisme. Daarbij zag ze een afname van risico bij vrouwelijke dragers met een variatie (-759T allel) in het serotonine 2C-receptorgen.
Proefschrift
Wilma Knol promoveert 12 oktober aan de Universiteit Utrecht. De titel van haar proefschrift is 'Antipsychotic induced parkinsonism in the elderly: assessment, causes and consequences'.
Bron: Universiteit UtrechtLabels: Ouderenzorg |
.
.
12:21  |
|
|
|
|
| Dementen sterven door antipsychotica |
Medicatie voor gedragsgestoorde ouderen blijkt gevaarlijk
Probleemgedrag komt veel voor bij demente ouderen, reden waarom velen een antipsychoticum krijgen. Niet zonder gevaar: jaarlijks sterven hierdoor tussen 550 en 760 senioren. Specialisten ouderengeneeskunde zitten met de handen in het haar.
Een man klopt voortdurend keihard met een asbak op tafel. Een vrouw schreeuwt aanhoudend: ‘Help, hèèllup, help!’ Een andere vrouw doolt ’s nachts door het verpleeghuis op zoek naar haar pyjama van vroeger, overal doodsbange bewoners achterlatend. Het zijn voorbeelden van probleemgedrag bij demente ouderen uit de praktijk van Bert Keizer, specialist ouderengeneeskunde in Amsterdam. Deze mensen zijn opgenomen in het verpleeghuis vanwege gedragsproblemen, licht Keizer toe, maar ook hier is hun gedrag niet te handhaven. De verpleging belt de specialist ouderengeneeskunde en ‘die kan naar de apotheek voor een antipsychoticum’.
Beroepsvereniging Verenso waarschuwt in haar herziene richtlijn Probleemgedrag: ‘Antipsychotica zijn beperkt werkzaam en hebben een grote kans op bijwerkingen.’ Toch worden de middelen onverminderd voorgeschreven. In het verpleeghuis krijgt zeker 37 procent van de dementerende bewoners een antipsychoticum volgens het promotieonderzoek van Sytse Zuidema uit 2008. Andere Nederlandse onderzoeken komen op 47 procent (Kleijer, 2009) en zelfs 56 procent (Van Dijk, 1995). Bij slechts 20 procent van de demente ouderen werkt het antipsychoticum beter dan een placebo. Daar staat tegenover dat de helft extrapiramidale bijwerkingen krijgt. Enkele jaren geleden zijn twee nieuwe ernstige bijwerkingen ontdekt: een hoger risico op een cerebrovasculair accident en een verhoogde mortaliteit. In Nederland sterven naar schatting jaarlijks 550-760 ouderen door de verhoogde mortaliteit van de antipsychotica (zie kader). Specialisten ouderengeneeskunde zitten ermee in hun maag, zegt Keizer: ‘Collega’s hebben het er onderling vaak over, uit schuldgevoel. De enige indicatie voor antipsychotica in het verpleeghuis is het in toom houden van dementen. Gebruik van antipsychotica is lelijke geneeskunde.’
Medisch Contact onderzocht met journalist Joop Bouma van dagblad Trouw waarom deze ouderen onverminderd antipsychotica krijgen, ondanks de gevaren.
550 tot 760 doden
De Britse professor en ouderenpsychiater Sube Banerjee zag dat er 700.000 dementerenden zijn in het Verenigd Koninkrijk – thuis en in tehuizen. Hij stelde zich vervolgens de vraag hoeveel van deze mensen antipsychotica krijgen en hoeveel er overlijden door het toegenomen sterfterisico. Zijn rapport werd een oproep aan de minister van Volksgezondheid. Banerjee rekende de minister voor dat jaarlijks 1800 demente ouderen sterven in Groot-Brittannië door gebruik van antipsychotica. Daarnaast krijgen 1620 mensen een CVA door de middelen. ‘Breng het antipsychoticagebruik terug naar een derde in drie jaar tijd’, adviseert hij.
De risico’s vertaald naar de Nederlandse situatie:
In Nederland zijn 220.000 demente ouderen: 190.000 thuis of in een verzorgingstehuis en 30.000 in een verpleeghuis.
In het verpleeghuis krijgt ten minste 37 procent een antipsychoticum. Dat zijn 11.100 demente ouderen. In de eerste lijn krijgen 65.000 mensen ouder dan 70 jaar een antipsychoticum volgens cijfers van CVZ uit 2007 in het Ephor-rapport.
Het toegenomen risico op overlijden is 1 procent volgens de analyse van Banerjee. Voor CVA is dat 0,9 procent.
(11.100 dementerende verpleeghuisbewoners met antipsychoticum x 1% oversterfte) + (65.000 70-plussers met antipsychotica uit de eerste lijn x 1%) = 111 + 650 = 761 doden.
Dezelfde som met 0,9 procent toegevoegd risico op een CVA levert 684 CVA’s op.
Banerjee schat dat 25 procent van alle oudere dementerenden een antipsychoticum krijgt. Op basis hiervan zijn de aantallen lager: 550 mensen overlijden en 495 mensen krijgen een CVA.
Krijgen alle ouderen een antipsychoticum vanwege probleemgedrag bij dementie? ‘Zeer weinig 65-plussers hebben de diagnose schizofrenie, bipolaire affectieve stoornis, psychotische depressie of ticstoornis, reageert Banerjee in een e-mail. ‘Als meer dan 1 procent van de ouderen antipsychotica krijgt, staat vast dat het om dementie gaat.’
En mogen de risico’s van typische en de meer verdachte atypische antipychotica op één hoop? Ja, volgens Banerjee. De risico’s van typische antipsychotica zijn inmiddels minstens zo hoog als die van de atypische.
Geen alternatief
Bij gedragsproblemen door dementie zit je met de handen in het haar, constateert Paul Jansen, klinisch geriater en klinisch farmacoloog in het UMC Utrecht. ‘Het probleemgedrag bij dementie is heel heterogeen. De een gaat roepen, de ander maakt dingen kapot en weer een ander gaat rondlopen. Het is niet te zeggen bij wie het antipsychoticum zal werken, en het effect is meestal gering en bovendien matig onderzocht.’
‘Gebruik van antipsychotica
is lelijke geneeskunde’
De klinisch geriater maakt zich al jaren hard voor een beter geneesmiddelarsenaal voor ouderen. Jansen is lid van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen en werkt voor Ephor, een initiatief van artsen en apothekers om de oude patiënt beter farmacotherapeutisch te behandelen. Alleen risperidon (Risperdal) is geregistreerd voor gedragsproblemen bij demente ouderen. Toch heeft ook haloperidol (Haldol), een middel tegen schizofrenie, de voorkeur van Ephor. In de richtlijn van Verenso is het zelfs eerste keus. ‘Haloperidol is naast risperidon eerste keus bij Ephor omdat er voor beide middelen bewijs is dat het werkt bij delier en bij probleemgedrag bij dementie. Daarnaast geven ze minder risico op anticholinerge bijwerkingen’, aldus Jansen.
De Verenso-richtlijn noemt alternatieven voor antipsychotica als benzodiazepinen, antidepressiva, anticonvulsiva en zelfs antidementica, maar volgens Jansen voegen ze weinig toe: ‘Bij gedragsproblemen is een waslijst met middelen geprobeerd, maar niet één middel springt eruit.’
Bij specifieke vormen van dementie als parkinsondementie en Lewy-Body-dementie en bij een delier zijn wel wat goede resultaten gezien met cholinesteraseremmers als rivastigmine, volgens de klinisch geriater, maar voor de meeste gedragsproblemen bij dementie blijven antipsychotica eerste keus. ‘We zouden betere middelen willen hebben, maar die zijn er niet. De niet-farmacologische behandeling is daarom van groot belang.’
Toezicht beperkt
Het toegenomen CVA- en mortaliteitsrisico werd eerst zichtbaar in meldingen bij de registratieautoriteiten en later in klinisch onderzoek. In de praktijk zijn deze bijwerkingen nauwelijks herkenbaar door de toch al slechte prognose van deze patiënten. Toezicht lijkt daarmee extra belangrijk. In Groot-Brittannië is het dementieprogramma aangepast vanwege het rapport van Banerjee uit 2009. De Amerikaanse Food and Drug Administration waarschuwde artsen in 2005 via de bijsluiter van alle antipyschotica. De maatregel hielp, want de jaren erna nam het gebruik onder ouderen af, zo bleek uit onderzoek uit 2010.
In Nederland blijft het stiller. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen kan volgens Paul Jansen niks doen. ‘Van doorhalen van de registratie kan geen sprake zijn, want deze middelen zijn er goeddeels niet voor geregistreerd.’
De IGZ heeft geen idee hoeveel verpleeghuisbewoners in Nederland antipsychotica gebruiken. De inspectie houdt geen toezicht op het tijdig stoppen met antipsychotica, zoals de richtlijn voorschrijft. Hoofdinspecteur Geneesmiddelen en medische technologie Josee Hansen: ‘Dit kan onderwerp worden van nader onderzoek. Maar vooralsnog letten wij vooral op de gehele medicatieveiligheid in tehuizen. Op dat punt kan er nog veel verbeteren.’ Hansen ziet niets in een strenger regiem rond antipsychotica: ‘De oplossing zit hem in scholing en in het strikt volgen van de behandelrichtlijnen.’
Zichtbare Zorg heeft gegevens verzameld over het gebruik van psychofarmaca in het algemeen in verzorgings- en verpleeghuizen van 2007 tot 2009. De betreffende stuurgroep wil de cijfers echter niet openbaar maken, omdat ‘de link met kwaliteit niet evident was’. Sinds 2010 wordt wel specifiek gevraagd naar antipsychotica, maar deze cijfers wil de stuurgroep nog niet geven. Wel heeft de stuurgroep een aantal trends gepubliceerd uit de jaren 2007-2009. Al jaren krijgt gemiddeld ongeveer 40 procent van de bewoners psychofarmaca. In huizen met meer dan honderd bedden is dat percentage het hoogst.
Kleinere instelling, beter personeel
Een beetje beschroomd geeft Bert Keizer het toe: van de 84 psychogeriatrische patiënten in zijn tehuis, krijgen er 24 een antipsychoticum. ‘Toch vervelend voor een dokter die denkt dat hij heel erg spaarzaam is met antipsychotica’, aldus de specialist ouderengeneeskunde. ‘Ter relativering van mijn misdaden op dit gebied: ze krijgen van mij twee keer een halve milligram. Toch heel wat minder dan de drie keer vijf milligram uit de psychiatrie.’
Als in een tehuis veel antipsychotica worden voorgeschreven, is dat een slecht teken voor de kwaliteit van zorg, vindt Keizer. Het probleemgedrag is een roep om aandacht. De richtlijn van Verenso beschrijft een uitgebreide analyse om het probleemgedrag met hulp van een psycholoog in kaart te brengen. Medicatie wordt pas ingezet als psychosociale interventies geen resultaten opleveren. In de praktijk trekt een ondergekwalificeerde en overbelaste verzorgende bij de arts aan de bel, om ‘er snel wat aan te doen’, merkt Keizer op. Toch ziet hij wel heil in de benadering met de psycholoog. ‘Als het personeel gezamenlijk stilstaat bij het probleemgedrag van een bewoner, ontstaat er een enorme tolerantiestijging voor dit gedrag. Dan is al veel winst.’
Hij weet echter ook dat het moeilijk is om ruimte te vinden voor zo’n benadering als je ook druk bent om alle bewoners te voeden en te verschonen. Door de krappe budgetten is er onvoldoende geschoold personeel, ‘ouderenzorg is armenzorg’.
De luxe Martha Flora-huizen hebben wel goed geschoold personeel, kleinschalige zorg en ook nog mooie locaties. Probleemgedrag komt in deze huizen veel minder voor, ziet Keizer, maar daar staat dan wel een extra eigen bijdrage van een paar duizend euro per maand tegenover.
Stoppen na drie maanden
Een kleiner tehuis of meer handen aan het bed is niet altijd beter, nuanceren hoogleraar ouderengeneeskunde Raymond Koopmans en onderzoeker Sytse Zuidema. Ze onderzoeken al jaren het probleemgedrag van dementerenden aan het UMC St Radboud, naast hun praktijk als specialist ouderengeneeskunde. Zuidema is daarbij een van de opstellers van de medicatieparagraaf van de Verenso-richtlijn Probleemgedrag. ‘Het is begrijpelijk dat mensen vinden dat dokters te veel antipsychotica voorschrijven’, aldus Koopmans, ‘maar als in de krant staat dat een bewoner blijvend letsel heeft toegebracht aan een andere bewoner, is iedereen ook boos.’
Voor een psychosociale benadering is weinig tijd:
‘ouderenzorg is armenzorg’
Wat dan de beste benadering is voor zo’n bewoner, is vraag twee. De onderzoekers zoeken naarstig naar de beste interventies. ‘Er zijn geen simpele oplossingen’, aldus Zuidema. Hij kijkt naar 26 verpleeghuizen uit het Waalbed-onderzoek, waarmee hij ooit zijn promotieonderzoek startte. Daarin zag hij dat gemiddeld 37 procent van de demente bewoners een antipsychoticum krijgt, met een grote spreiding tussen de tehuizen. Sommige huizen slagen er dus kennelijk wel in minder antipsychotica voor te schrijven. Samen met onder meer de IGZ en de stuurgroep van Zichtbare Zorg gaan Zuidema en Koopmans de laag- en de hoogscorende huizen nader onderzoeken om uit te vinden wat het onderscheid maakt. Naast de medicatie zelf kijken zij bijvoorbeeld naar de werkomstandigheden van het personeel.
Volgens Zuidema is er veel winst te behalen door het tijdig afbouwen van de antipsychotica, iets wat in de praktijk te weinig gebeurt. ‘De middelen werken maximaal twaalf weken; daarna kunnen ze worden afgebouwd. De gedragsproblemen keren dan niet terug.’
Geslagen
Bij het streven om minder antipsychotica voor te schrijven mogen de problemen van de verzorging niet worden gebagatelliseerd, vinden de onderzoekers. Koopmans: ‘Er zijn verzorgenden die worden geslagen en geknepen door bewoners. Tegelijkertijd mogen ze niet meer fixeren en moeten ze ook opletten dat mensen niet vallen en hun heup breken.’
uidema ziet dat verzorgenden veel vertrouwen hebben in de pillen: ‘Als de psycholoog wordt ingeschakeld, betekent dat extra werk voor hen, want zij moeten de andere benadering naar een bewoner consequent invoeren.’
Het tekort aan specialisten ouderengeneeskunde maakt dat steeds meer verpleegkundig specialisten en praktijkondersteunende verpleegkundigen zijn ingezet. Volgens Koopmans en Zuidema een goede ontwikkeling, want zij geven op de werkvloer het goede voorbeeld aan de lager opgeleide verzorgenden in de omgang met probleemgedrag. Verpleegkundigen waren wegbezuinigd uit het verpleeghuis, en nu komen ze langzaam weer terug, en dat verschil zie je duidelijk. Koopmans: ‘Je kunt niet zomaar mensen van de straat plukken voor dit werk, daar is het veel te complex voor. Al wil de politiek ons doen geloven dat het met lager opgeleiden ook goed kan.’
(Artsennet)Labels: Ouderenzorg |
.
.
12:20  |
|
|
|
| woensdag 5 oktober 2011
|
| Kamer steunt SP: onderzoek farmaceutische industrie moet openbaar |
De Tweede Kamer heeft vandaag ingestemd met een voorstel van Henk van Gerven om alle onderzoeksresultaten van geneesmiddelenonderzoek op mensen openbaar te maken. ‘Dankzij dit voorstel wordt voorkomen dat bedrijven negatieve onderzoeksresultaten onder het tapijt moffelen. Wetenschappelijk onderzoek zal zo beter en veiliger worden', aldus Van Gerven.
Al jarenlang vecht de SP voor het publiek maken van onderzoeksgegevens van de farmaceutische industrie. De belangen van de farmaceutische industrie zijn erg groot. Berucht zijn de voorbeelden van het achterhouden van ernstige bijwerkingen bij antidepressieve middelen bij kinderen , zoals zelfmoordneigingen en zware verslaving. Tijdens een Engels onderzoek werd een mogelijk medicijn tegen leukemie zes vrijwilligers bijna fataal , terwijl de ernstige bijwerkingen al geconstateerd waren bij eerder onderzoek.
Daarom pleitte Agnes Kant in 2006 in een initiatiefnota voor openbaarheid van al het onderzoek van geneesmiddelen op mensen. Met dit voorstel wordt het eerdere initiatief van Kant werkelijkheid.
(SP)Labels: Farmamaffia |
.
.
22:46  |
|
|
|
|
|
| |